Langevingerpudding

Schrijfster Nicolien Mizee geeft een cursus verhalen schrijven aan de Volksuniversiteit. Ze laat zich inspireren door het werk van haar leerlingen. Vandaag over het vertellen van iets kleins.

„Ik schrijf vaak over de dood en andere erge dingen”, zegt Ewout. „Nu wilde ik schrijven over iets kleins.”

Ewouts verhaal gaat over een stel dat op een zomerse dag een fietstochtje maakt. De man ergert zich voortdurend aan zijn vriendin: ze fietst te snel of te langzaam, ze wil koffie drinken op een te koud of te warm terras, ze praat te hard of te zacht.

„Kleine dingen?” zeg ik. „Dit is erger dan de dood! De dood is duidelijk. Maar dit is een eindeloze marteling!”

„Nou ja, het is een machtsstrijd”, zegt Ewout schouderophalend. „Dat heb je in alle relaties. En ik wilde eens over iets gewóóns schrijven, iets alledaags.”

„Jouw personage maakt een hel van zijn leven en dat van zijn vriendin”, zeg ik. „Dat dat in veel relaties als normaal beschouwd wordt, moet voor een schrijver niets uitmaken. Integendeel zelfs. Waarom doet die man zo?”

„Misschien heeft hij een minderwaardigheidcomplex”, oppert Martha met een vergoelijkende glimlach. „Mijn eerste man was ook zo. Heb je al bedacht hoe dit verhaal af gaat lopen?”

„Een ongeluk misschien”, twijfelt Ewout, „maar dan zit ik wéér met de dood. Ik wou het juist klein houden.”

„Langevingerpudding”, zeg ik plotseling. Ze kijken er allemaal van op. Ik zelf ook.

Even aarzel ik, dan begin ik te vertellen: „Toen ik vijf jaar oud was, kwam er een jongen bij ons in huis wonen. Timo. Hij was vijf jaar ouder, hij had blonde krullen en hij kon radio’s repareren. Een god. Jaren later werd hij mijn eerste echte vriendje. Eigenlijk was hij nooit erg aardig tegen me. Maar dat viel me niet op. Op een dag kwam ik langs in het kraakpand waar hij woonde. Ik zal toen al in de twintig geweest zijn. Op de keukentafel lag een keurig rijtje gebakken lange vingers. Ze waren nog warm. Ik stak er een in mijn mond. Toen liep ik verder naar de bewonerskamer waar twee jongens zaten te schaken. ‘Ik heb een lange vinger gegeten’ zei ik. Nog altijd zie ik de ontsteltenis op hun gezichten. ‘Zeg vooral niet wat je gedaan hebt!’ raadden ze me aan. ‘Die zijn voor een pudding die Timo vanavond wil maken.’ Ik beloofde mijn mond te houden. Toen kwam Timo binnen en ik zei: ‘Ik heb een lange vinger gegeten.’ Hij keek me lang aan, met een onbeschrijflijke blik. ‘Ik had er één te veel gemaakt’, zei hij. ‘Dus er is precies genoeg. Maar doe dit nooit meer.’ Ik zei dat het me speet en dat ik het nooit meer zou doen. Het was even stil, en toen zei Timo: ‘Het was bijna onvergeeflijk geweest. Doe dit nooit meer.’ Ik stond op en ging weg. Niemand zei iets. Dat was het einde van een vriendschap die bijna twintig jaar geduurd had. En weten jullie: dat wist ik op het moment dat ik die lange vinger in mijn mond stak.”

Martha legt haar hand op Ewouts pols. „Zoek een lange vinger”, zegt ze.

    • Nicolien Mizee