‘Fragmentarische sturing’ medewerkers

Meer overleg en meer eigen verantwoordelijkheid moeten een eind maken aan het getob bij het Centraal Museum. Dat helpt niet, zegt de ex-directeur.

Pauline Terreehorst Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold utrecht pauline terreehorst foto rien zilvold Zilvold, Rien

De problemen die zijn ontstaan bij het Centraal Museum in Utrecht zijn het gevolg van „langjarige ontwikkelingen”. Dat schrijft interim-directeur Gert-Jan van der Vossen in zijn eindrapport dat aan de gemeente Utrecht is voorgelegd.

Van der Vossen werd in juni 2007 aangesteld met de opdracht de organisatie en de interne communicatie te verbeteren. Sinds de aanstelling van directeur Pauline Terreehorst in 2005 rommelde het in het Utrechtse museum. Medewerkers van het museum uitten kritiek op haar solistische managementstijl, diverse personeelsleden vertrokken en conservatoren klaagden over het geringe aantal tentoonstellingen. In maart 2007 zegde de Ondernemingsraad van het museum het vertrouwen in Terreehorst op. Van der Vossen werd aangesteld voor de bedrijfsvoering, Terreehorst bleef artistiek verantwoordelijk en behield zeggenschap over de sponsorwerving. Eind januari maakte Terreehorst alsnog haar vertrek bekend.

Van der Vossen constateerde bij zijn aantreden dat de afstand tussen de medewerkers en de directeur groot was en dat op sleutelfuncties sprake was van uitval. „Vele medewerkers waren aan het eind van de spanningsboog. Op vrijwel alle niveaus was sprake van fragmentarische, niet systematische sturing door de leidinggevenden.” Om de onderlinge relaties te verbeteren en de werklast behapbaar te maken, introduceerde Van der Vossen een nieuwe overlegstructuur – met succes, vindt hij zelf. Maar „het is ook noodzakelijk dat medewerkers meer eigen verantwoordelijkheid nemen”.

Over het functioneren van Terreehorst is Van der Vossen in zijn eindrapport relatief mild. „Per saldo kan worden gesteld dat, ondanks de beperkte capaciteit, een intensief tentoonstellingsprogramma met goede bezoekersaantallen is gerealiseerd”, concludeert hij. „Zowel van de zijde van de directeur als van de medewerkers zijn daartoe forse inspanningen geleverd.”

In een reactie schrijft Pauline Terreehorst dat zij de analyse van Van der Vossen op hoofdlijnen onderschrijft. Volgens haar bevestigt het rapport wat zij altijd al heeft gezegd, namelijk dat er in het Centraal Museum al veel problemen waren toen zij in 2005 aantrad. Terreehorst: „De bezoekersaantallen waren laag, het museum moest werken met een negatief bedrijfsreserve, en het jaarlijkse budget was bescheiden.” Met de wijsheid van nu, stelt Terreehorst, ,,kan worden vastgesteld dat in 2005 niet zozeer een directeur met een culturele visie benoemd had moeten worden, maar iemand met grote ervaring op het gebied van personeelsmanagement.”

Volgens haar zullen een nieuwe overlegstructuur en het verlenen van meer verantwoordelijkheid aan medewerkers niet genoeg zijn om de problemen op te lossen. De kern van het probleem is „de scheefgroei in het personeelsbestand”, schrijft ze. „Binnen het Centraal Museum zijn relatief vaak mensen met een kunsthistorische achtergrond aangenomen, die vervolgens doorgroeiden naar een scala aan functies.” Het gebrek aan ‘professionele expertise’ wordt gecompenseerd door veel enthousiasme en betrokkenheid. „De sfeer is bijna familiaal. Mensen zijn vaak al lang aan het museum verbonden. De keerzijde hiervan is dat velen geen of nauwelijks werkervaring hebben buiten het Centraal Museum.”

Volgende maand zal Van der Vossen zijn Museum- en Bedrijfsplan 2008-2010, met daarin meer concrete plannen voor de toekomst, aan de Utrechtse gemeenteraad voorleggen. Pauline Terreehorst gaat in opdracht van de gemeente Utrecht de plannen uitwerken voor een mogelijk Rietveldmuseum in Utrecht. Het Centraal Museum wil voor de zomer een nieuwe directeur te hebben.

    • Sandra Smallenburg