Dijkverzwaarders slaan terug

Geen idee is te dol om klimaatverandering het hoofd te bieden.

Maar zijn die plannen ook reëel? Waarom blijven we niet gewoon dijken ophogen?

Het watergevecht is begonnen. Het kabinet laat onderzoek doen naar strategieën om, met de klimaatverandering in zicht, ook over tweehonderd jaar in Nederland te kunnen wonen en werken. Veel uitdagende, innovatieve en opmerkelijke ideeën zijn inmiddels gespuid.

Zoals de aanleg van eilanden voor de kust, in onderzoek op aandringen van de Tweede Kamer.

Of het rivierengebied dat volgens ingenieurs van Rijkswaterstaat in tijden van overvloedig water zou kunnen gaan fungeren als een superkanaal, met aan weerskanten een gigantische klimaatdijk.

Denk ook eens aan de verbreding van bestaande dijken met enkele honderden meters, waartoe hoogleraar klimaatverandering Pier Vellinga heeft opgeroepen. Op het ministerie van Verkeer en Waterstaat circuleren ideeën om gebieden die waterstaatkundig gezien bij elkaar horen, de zogenoemde dijkringen, onder te verdelen opdat bij een overstroming slechts een deel van het gebied onder water loopt.

Onderzoekers van de Vrije Universiteit in Amsterdam willen zelfs dat alle nieuwbouwhuizen de komende eeuw worden gebouwd op opgehoogd land, reusachtige terpen. En een groot aantal ingenieurs heeft wilde plannen om ‘iets te doen’ met de Afsluitdijk en ook met de Deltawerken, wellicht om deze waterkeringen deels te openen.

Nu is ook het tegenoffensief begonnen. Allemaal leuk en aardig, maar laten we toch vooral ook de realiteit niet uit het oog verliezen, klinkt het. Afgelopen zaterdag waarschuwde directeur Theo Schmitz van de Vewin, de verenigde drinkwaterbedrijven, in NRC Handelsblad voor hoge kosten als er gemorreld wordt aan de grote zoetwaterbuffers die zijn ontstaan door de aanleg van de waterkeringen zoals de Afsluitdijk.

„Laten wij goed beseffen welke enorme investeringen vorige generaties zich getroost hebben die buffers tot stand te brengen”, zei Schmitz. „Tot in het verre buitenland, zoals in Singapore, vertellen wij hoe zoet water te maken en te behouden. Dan moeten wij dat model van zoetwaterbuffers niet voor onze eigen voeten laten weglopen.”

Ook de waterschappen maken nu korte metten met de plannen. „Onzinnig” en „gevaarlijk”, zegt voorzitter Sybe Schaap van de Unie van Waterschappen over een groot aantal voorstellen. Het bouwen van hele wijken op terpen is ten zeerste af te raden, zegt hij, want bij een overstroming zullen weliswaar de bewoners hoog en droog „tevreden naar de rest van de wereld kijken”, maar de gebieden die níet zijn opgehoogd, zullen door de aanleg van die vele tienduizenden hectares terpen veel sneller vollopen. „De onveiligheid wordt op anderen afgewenteld. En die anderen rest niets anders dan het vege lijf te redden.”

Het idee om bestaande dijken met enkele honderden meters te verbreden is volgens de waterschappen al wat sympathieker, maar nog steeds weinig realistisch. Schaap: „Reguliere dijkversterking leidt vaak al tot weerstand. Laat staan zo’n enorme verbreding, met alle gevolgen van dien voor aanliggende bebouwing, natuur en cultuurlandschappen.”

Unie-voorzitter Schaap sluit zich van harte aan bij de waarschuwing van de drinkwaterbedrijven dat de zoetwatervoorraad op peil moet blijven. Niet alleen is dat noodzakelijk voor de productie van schoon en goedkoop drinkwater, zegt hij, ook hebben we zoet water „hard nodig” tegen de verdroging in de landbouw en de natuur, zegt Schaap, wanneer bijvoorbeeld de Rijn ’s zomers veel minder water gaat afvoeren dan wij nu nog gewend zijn.

En eilanden voor de kust? „Heel lucratief voor baggerbedrijven om ze aan te leggen en elk jaar opnieuw met extra zand te voorkomen dat ze weer in zee zakken. Maar voor de veiligheid maakt het weinig uit. Het is veel efficiënter gewoon zand voor de kust te blijven toevoegen.”

Het antwoord op klimaatverandering moet wat de waterschappen betreft blijven wat het nu voornamelijk is: dijkversterking. Unie-voorzitter Sybe Schaap signaleert dat een „omgekeerd dogma” Nederland is binnengeslopen als zouden dijkversterkingen niet meer kunnen. Het idee dat we nu eenmaal niet tot in lengte van dagen kunnen doorgaan met het verhogen en verbreden van dijken maar dat we moeten leren mee bewegen met het water. Daar zit wel iets in, erkent Schaap, want het is „altijd nuttig” ruimte voor water te scheppen langs de grote rivieren, in steden en op het platteland. Maar om Nederland „veilig en goedkoop” te beschermen tegen overstromingen, ligt het versterken van dijken toch het meest voor de hand. Schaap: „Het versterken van dijken is onze kernactiviteit. Daar zijn we goed in.”

Bezwaar tegen dijkversterkingen is wel dat ze vaak lelijk worden gevonden. Schaap: „Ik geef niet zo veel om die esthetische bezwaren. Dijken tasten het landschap niet aan. Ze máken het landschap.”