De masterstudent kan van alles en toch niets

De hedendaagse student switcht met groot gemak van de ene bachelor- naar de andere masteropleiding.

Leuk, maar de samenleving heeft specialisten nodig.

De masterstudent kan van alles en toch niets Wie weet er nog echt iets van Russisch of Latijn? Illustratie Sebe Emmelot Emmelot, Sebe

In 2002 werd aan de Nederlandse universiteiten en hogescholen de bachelor-masterstructuur ingevoerd. Doel was de nationale en internationale mobiliteit te verhogen: studenten zouden hun bachelor in Amsterdam kunnen doen, gevolgd door een master in Berlijn of Cambridge.

Zes jaar na invoering van de BaMa moet geconstateerd worden dat deze structuurwijziging ook de disciplinaire mobiliteit heeft aangewakkerd. Steeds minder studenten voelen de aandrang zich tot één vakopleiding te beperken. Men switcht van internationaal recht naar European Union Studies of van Scandinavistiek naar boekwetenschap. Een breed profiel, zo redeneren studenten, biedt extra kansen op de arbeidsmarkt.

Op het eerste gezicht lijkt dit een positieve ontwikkeling. Studenten kijken over de grenzen van hun vakgebied heen en krijgen de kans hun studieprofiel zelf te bepalen. De opleidingen stellen hun onderwijsaanbod hierop af, zodat de markt hier gewoon zijn werk doet.

Die marktwerking pakt echter nadelig uit voor opleidingen die een specifieke voorkennis veronderstellen, zoals de kleine letterenstudies. Studenten stromen na een bachelors klassieke talen, Scandinavisch of Russisch wel uit naar bredere masterstudies, maar de omgekeerde beweging is natuurlijk uitgesloten. Wie zou zonder enige kennis van het Russisch of Latijn een masters Slavistiek of klassieke talen kunnen doen?

Het gevolg is een merkwaardige ontwikkeling: terwijl het bon ton is in de universitaire gemeenschap om voorstander te zijn van de ‘brede’ bachelors naar het voorbeeld van de Liberal Arts in de VS, zien we dat ook de master steeds ruimer en algemener van opzet wordt, vaak met lagere instapeisen. Dat probleem wordt nog verergerd doordat, in tegenstelling tot de ons omringende landen, de master slechts een jaar duurt en geen ruimte biedt voor extra taalverwerving.

Dat laatste is funest voor studierichtingen waarin het cultuurgebied van een niet-schooltaal centraal staat. Bronnen worden in toenemende mate in vertaling gelezen en als die niet voorhanden zijn, dan laat men ze maar buiten beschouwing.

Het ergerlijke is dat dit proces van vervlakking voor een groot deel voortkomt uit een misverstand, namelijk dat je als pas afgestudeerde met een brede master beter op de arbeidsmarkt zou zijn voorbereid dan met een meer toegespitst profiel. De maatschappij heeft juist behoefte aan analytisch geschoolde geesteswetenschappers die gewend zijn de diepte in te gaan. Dat is nu de toegevoegde waarde van een ‘specialistische’ masters waarin hoogwaardig wetenschappelijk onderwijs wordt aangeboden.

Er is in de maatschappij een enorme behoefte aan specialisten met een gedegen kennis van de taal en de cultuur van Rusland, Scandinavië, de Romaanse wereld en natuurlijk Duitsland. Dat deze maatschappelijke behoefte niet altijd overeenkomt met de wensen van studenten en hun studiekeuzes doet daar niets aan af.

Maar deze tendens tot verbreding brengt nog een ander probleem met zich mee. Aangezien het systeem van universitaire bekostiging op studentenaantallen is gebaseerd, zullen de kleine letterenstudies altijd aan het kortste eind trekken. Een minimale staf moet een uitgekleed curriculum in de lucht zien te houden en daarnaast onderzoek verrichten. Het gevolg is dat het letterenstudies als Duits en Russisch steeds meer aan kritische massa gaat ontbreken. Om onderzoek te kunnen laten gedijen, is niet alleen inbedding in een internationale gemeenschap nodig, maar moet er allereerst sprake zijn van een nationale gemeenschap van onderzoekers. Die gemeenschap brokkelt in Nederland steeds verder af.

Bij al het gepraat over toptalentenprogramma’s zou de minister moeten inzetten op een financiële impuls voor studierichtingen die de echte landen- en cultuurspecialisten afleveren. Zo valt te denken aan het instellen van speciale onderzoeksinstituten; aan extra geld voor zowel student-assistentschappen als hoogleraarsposten; aan aparte sabbatical-programma’s voor onderzoekers en aan summer schools voor studenten om hun de verdieping te bieden die ze in de huidige opzet mislopen.

Otto Boele is universitair docent Russische Letterkunde en Egbert Fortuin is universitair docent Russische taalkunde aan de Universiteit Leiden.

    • Egbert Fortuin
    • Otto Boele