Chinese media gaan van censuur naar zelfcensuur

Door de komst van e-mail en sms lukt het de Chinese autoriteiten niet meer om gevoelig nieuws verborgen te houden. Ze kiezen er nu voor om het nieuws zorgvuldig te regisseren.

Toon Beemsterboer

De afdeling propaganda van de Chinese communistische partij reageerde snel op de rellen in de Tibetaanse hoofdstad Lhasa. Via de staatszender CCTV werd binnen een dag de interpretatie van de partij op miljoenen televisieschermen in heel China gebracht: een kleine groep Tibetanen in Lhasa, die is opgehitst door de Dalai Lama, heeft een daad van sabotage gepleegd. Zij hebben de veiligheid van de burgers in gevaar gebracht en de sociale stabiliteit ondermijnd. Toch is de Chinese regering in staat om het recht te handhaven en de sociale harmonie te waarborgen.

Einde bericht.

Het is ongebruikelijk dat de Chinese overheid gevoelig nieuws zelf naar buiten brengt, zegt de Duitse politicologe en China-expert Daniela Stockmann, universitair docent aan de Universiteit van Leiden. Maar door nieuwe technologie, zoals mobiele telefoons en internet, wordt ze daartoe gedwongen. „Toen de luchtwegziekte sars een paar jaar geleden uitbrak, hebben de autoriteiten geprobeerd om een totale informatiestop in te lassen. Dat lukte niet. Via e-mails en smsjes hielden mensen elkaar toch op de hoogte. Toen de geruchtenstroom aanzwol, konden de autoriteiten niet anders dan toch informatie naar buiten brengen. Wellicht dat ze daar nu van geleerd hebben.”

Als er nieuws is over een gevoelig onderwerp dan is een reactie zoals die van CCTV voldoende om alle media op één lijn te krijgen. Dit is opmerkelijk omdat lang niet alle media in China in handen van de staat zijn. Eind jaren zeventig heeft de regering de media gecommercialiseerd. Tot die tijd werden ze bestuurd als politieke instituties. Maar de staat had niet genoeg geld om de media te financieren. Veel Chinese media worden nu gerund als particulier bedrijf.

„Algemeen wordt aangenomen dat commerciële liberalisering leidt tot meer onafhankelijkheid en persvrijheid”, zegt Stockmann. „Maar het tegendeel is waar in China.” Stockmann heeft in 2004 en 2005 onderzoek gedaan naar de gevolgen van de commercialisering voor Chinese kranten.

China is een krantenland. Ongeveer 80 procent van de stadsbevolking leest een dagblad, op het platteland is het aantal veel kleiner. De markt voor kranten groeit snel. Bijna iedere dag verschijnt er wel een nieuwe titel en verdwijnt er een andere. Toch is het aantal kranten in China al jaren stabiel, aangezien de regering slechts 1938 licenties verstrekt. Verder zijn er 267 radiozenders en 296 televisiezenders.

„De officiële staatsmedia worden nog steeds als instituties geleid”, zegt Stockmann. „Ze krijgen subsidie en het personeel heeft dezelfde rang en titel als overheidsfunctionarissen. Dan zijn er semi-officiële kranten die afhankelijk zijn van advertenties en commerciële kranten die hun inkomsten halen uit advertenties en uit binnenlandse investeringen.”

De commerciële kranten trekken lezers met slogans als ‘We maken een krant die dicht bij JOU staat’ en ‘De krant die over alles praat’. „Door dit commerciële uiterlijk overschatten veel Chinezen de onafhankelijkheid van deze kranten”, zegt Stockmann.

Op de afdeling propaganda van de partij worden volgens Stockmann alle kranten in de gaten gehouden. „Het departement geeft de grenzen aan. Als er een gevoelig onderwerp in een krant staat, wordt de redactie opgebeld met de boodschap er niet meer over te publiceren. Dit leidt tot zelfcensuur: journalisten krijgen een neus voor dit soort gevoeligheden.”

Voorafgaand aan de studentenopstand op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking in 1989 vond de communistische partij dat de media te ver waren gegaan. De opstand werd bloedig neergeslagen en was het keerpunt in de liberalisering van de media. De algemene teneur onder partijfunctionarissen na de opstand was dat de media te vrij waren geworden. Na 1989 probeerde de staat de media meer onder controle te krijgen. Staatskranten werden een soort moederkranten, waardoor er meer controle kan worden uitgeoefend. Chinese media berichtten bij voorbeeld pas over vreedzame demonstraties in Tibet toen de staatszender CCTV het nieuws bracht.

Alle politieke onderwerpen, vooral over de leiders van de communistische partij, worden gezien als gevoelig. Ook volksopstanden en andere protesten komen niet door de censuur. Maar waar precies de grens ligt van wat wel en niet mag, is niet geheel duidelijk.

Bij al het belangrijke nieuws worden de grenzen van de berichtgeving opnieuw vastgesteld. Zoals over het slavenschandaal dat in juni vorig jaar aan het licht kwam. Zeker duizend arbeiders bleken onder mensonterende omstandigheden slavenarbeid te verrichtten in steenfabrieken, kolenmijnen en metaalgieterijen in de provincie Shanxi. Televisiejournalist Fu Zhenzhong van Henan Metro Channel bracht het verhaal naar buiten. De eigenaar van de steenbakkerij bleek de zoon van een lokale partijfunctionaris. De partij werd hierdoor ernstig in verlegenheid gebracht en de functionaris werd uit de partij gezet.

Dat het bericht werd uitgezonden kwam volgens Stockmann doordat de journalist uit een andere provincie kwam. „Journalisten zullen niet zo snel negatief berichten over de leiders in hun eigen regio, omdat ze door hen kunnen worden ontslagen. Schandalen worden vaak op internet gepubliceerd. Journalisten in andere regio’s pikken die verhalen op en berichten erover.”

Maar dit soort kritische verhalen zijn uitzonderingen. Volgens Stockmann kunnen de commerciële kranten, door hun imago van onafhankelijkheid, mensen juist goed overtuigen van het partijstandpunt. „Het is een onbedoeld gevolg waar de autoriteiten baat bij hebben.”