Afghaanse rekeningen

Terwijl de fracties in de Tweede Kamer zich moesten buigen over het voorstel van de regering om zestig Nederlandse mariniers uit te zenden naar Tsjaad, verscheen gisteren een ontluisterende evaluatie over het verloop van een andere humanitaire missie: die in Afghanistan. Volgens de Agencies Coordinating Body for Afghan Relief (ACBAR) blijven de landen, die Afghanistan op de been willen helpen, in gebreke. Van de 25 miljard dollar die door donoren is toegezegd, is sinds 2001 slechts 15 miljard uitgekeerd. De 10 miljard die de donoren nog in hun zak hebben gehouden, staat volgens ACBAR gelijk aan dertig jaar onderwijs in Afghanistan.

Deze bedragen zijn overigens nog niet het treurigste aan de zaak. Geld kan wel worden gedoneerd, maar het moet terplekke ook nuttig besteed kunnen worden. Het heeft geen zin om bankbiljetten als repen chocola uit een helikopter te gooien. Nog treuriger dan de bedragen is daarom dat ongeveer 40 procent van het wél uitgekeerde geld wordt besteed aan de kosten en honoraria die bedrijven en consulenten uit de donorlanden zelf in rekening brengen. Hun winstmarges kunnen zo oplopen van 20 tot soms 50 procent.

Deze anomalieën ontgaan de Afghanen, om wier toekomst het formeel allemaal te doen is, natuurlijk niet. Ze ondermijnen dan ook de missie in dat land. In Afghanistan gaat het, behalve om het gewapenderhand bestrijden van de wederopstanding van de Talibaan, immers vooral om de ‘hearts and minds’ van de bevolking.

Verstand én hart kunnen over deze scheefgroei alleen maar een negatief oordeel vellen. Deze evaluatie geeft eens te meer te denken omdat de Kamer van plan is in te gaan stemmen met een kleine missie naar Tsjaad. Het is geen wet van Meden en Perzen dat de hulpverlening in Tsjaad onvermijdelijk zal ontsporen. Nederland steekt volgens het rapport van ACBAR immers gunstig af bij andere donoren. Bovendien heeft de voorgenomen inbreng aan de EUFOR-missie kwantitatief niet veel om het lijf. Het kabinet heeft, bij monde van minister Verhagen (Buitenlandse Zaken, CDA), eveneens de logica aan zijn zijde als het stelt dat Nederland zelf ook solidair moet zijn als het in Uruzgan solidariteit van andere bondgenoten eist.

Maar regering en parlement moeten niet de illusie koesteren dat de Nederlandse bijdrage aan EUFOR meer is dan een gebaar van wederkerigheid. De kans is klein dat EUFOR meer wordt dan een Franse missie met een Europees tintje. In de ogen van de strijdende partijen zijn de Nederlanders gewoon Fransen met een ander vlaggetje op hun uniform. Voor de vluchtelingen in het gebied kan de missie niettemin een beetje soelaas bieden. Des te belangrijker is het dat de niet-militaire hulp wel op de goede plekken terecht komt. Dat is een complexer karwei dan de missie zelf.

De evaluatie van de hulp in Afghanistan illustreert dat een humanitaire interventie kan uitdraaien op het rondpompen van geld in eigen kring. In Afghanistan moet die vicieuze cirkel worden doorbroken, in Tsjaad worden voorkomen.