Zwemvamp

Het liefst zie ik Marleen Veldhuis als ze net uit het zwembad is gestapt en even voor de camera van de NOS verschijnt. De klaarheid van dat hoofd, van de opmerkingen; het smaakt maar naar één ding. Naar water. De bron van alles. Na jaren spartelen in een zwembad word je zelf ook een beetje als water. Helder en eenvoudig.

Nog nadruipend van de race duwt ze haar natte haren achter haar oren, voorziet het gezicht van een glimlach en spreekt van een ‘geweldige race’ of dat het ‘lekker ging’. Het water is haar snelweg, ongelimiteerd mag Veldhuis plankgas geven en aan het einde ligt vaak nog een prijs klaar ook.

Het tegenstrijdige is dat het eenvoudige zwemmen tot de meest ingewikkelde en technische sporten behoort. Coach Jacco Verhaeren is in feite een wetenschapper, een zwemprofessor. Hij legde me ooit uit dat je water moet pakken. Ik wist niet wat ik hoorde. Je trekt je op aan het water. Daar had ik nog nooit aan gedacht als ik in de zomer met zo’n laffe schoolslag door een meertje ging.

Zwemmen is voor mij voorkomen dat ik verdrink.

Verdrinken kan Marleen Veldhuis niet meer. Ze ligt niet meer in, maar op het water. Daar helpen de nieuwe Speedo-pakken ook bij. Ze zijn gemaakt van waterafstotende kunststof, wat toch een beetje oneerbiedig klinkt als je voor je sport zo van water afhankelijk bent. Maar goed, het gaat weer sneller.

Zou er ooit een zwempak ontworpen worden waarmee Marleen Veldhuis vanaf de start als een platte kiezelsteen in tien tussenlandingen over het wateroppervlak scheert bij de 50 meter vrij?

Op de tribune zat de olympische zwemnimf Inge de Bruijn te kijken naar de verrichtingen van Veldhuis. Ook zij was, tot voor een paar jaar, dagelijks in het zwembad te vinden, met dat afgebeulde lijf. Ik zie haar tijdens Spartaanse trainingen nog touwklimmen zonder dat ze haar benen gebruikte. Je zou bijna bang worden voor een innige omhelzing met La Bruijn.

Jarenlang heeft ze door een extreem laag vetpercentage zonder borsten geleefd. Letterlijk alles moest wijken voor de sport. Ze koos in haar loopbaan voor het eenzame bestaan en een lichaam dat verslaafd was aan water, water en nog eens water. Het haar stonk jaren naar chloor. Nu zat ze als een filmster wellustig in een strak shirtje te lonken naar de camera.

Vanuit haar hoge post zwaaide Inge de Bruijn als voormalig koningin van het chloor af en toe naar beneden. Naar Marleen, naar Jacco, naar het volk. Zo ziet een zwemvamp eruit, dacht ik, toen ze haar krullengordijntjes opzij schoof en haar brede ogen toonde.

Ik kreeg destijds jeuk op mijn rug van het ‘toppiejoppie’ van Inge de Bruijn omdat het te ‘popi’ klonk. Maar ach, wat scheelt toppiejoppie van Marleens ‘supermooi’? Gaaf. Kicken. De oerbewegingen in en over het water laten zich, vlak na een belangrijke race, kennelijk niet vangen in poëzie.

Het water is van ons allemaal. Van Marleen Veldhuis en Inge de Bruijn, van bejaarden die aquajoggen, van rillende kinderen die met een kruk rond het middel smachten naar de handdoek van mama, van pubers die met hun bommetje slapende badgasten nat plenzen.

Water maakt het kind in ons los, zullen we maar zeggen.

Zwemmen dus, tot de dood erop volgt.