Wel begrijp ik uw schaamte

Tekening Wolfgang Ammer Ammer, Wolfgang

Amsterdam op 17 maart 2008

Geachte heer Breytenbach,

U biedt mij per open brief uw verontschuldigen aan voor het politiegeweld in Stellenbosch, in de nacht van 7 op 8 maart. Ik zou ze graag aanvaarden, ware het niet dat ik u niet verantwoordelijk houd voor de gebeurtenissen. U draagt geen splinter schuld. We zijn over het algemeen niet aansprakelijk of zelfs maar mede aansprakelijk voor de daden die de staat boven ons hoofd verricht; afkomst en nationaliteit kunnen ons niet worden aangerekend.

Wel begrijp ik uw schaamte. Het grondgevoel dat ik voor mijn eigen land koester, bestaat uit schaamte. De redenen daarvoor zijn talrijk, en moeten bij gelegenheid worden toegelicht. In elk geval heb ik mensen die trots zijn op het vaderland altijd een beetje lachwekkend gevonden; voor oprechte trots zul je de talloze gebreken uit het beeld moeten verwijderen, vergevingsgezind moeten zijn tegenover de ontelbare inbreuken op het paradijs, je zult kortom door je oogharen moeten kijken voor een ongeschonden beeld.

Toen ik die avond op de grond lag in dancing Die Mystic Boer, was ik in zekere zin opgelucht. Vier dagen had ik door Stellenbosch gewandeld met een vage verontrusting in mijn borst. Dit kán niet waar zijn, deze artificiële oase, waar onder de bomen jongens op blote voeten rugby speelden op het gras, en de voornaamste groei van de meisjes in hun prachtige benen was gaan zitten – een strikt gesegregeerde lusthof, de enige zwarten die ik zag brachten koffie of bewaakten parkeerplaatsen. In Die Mystic Boer, waar ik even tevoren nog tequila dronk in gezelschap van levenslustige studenten, was het publiek blank – en de politiemacht die ons overrompelde was zwart; een gewelddadige verheviging van de dubbelzinnigheid waarvan ik alleen nog maar de schaduwen had gezien. Opeens stond de ruimte vol agenten met kogelvrije vesten en helmen, geheven wapenstokken en de hand aan het vuurwapen, op zoek naar drugs naar men later zei. De boodschap die ze brachten was eenvoudig: liggen en je bek houden. Uit voorzorg werden een paar studenten neergeslagen met de wapenstok en in het gezicht gespoten met pepperspray, geschreeuw, huilende meisjes; geweld in zijn pure vorm is ongelofelijk energiek.

In mij steeg grote kou op, een sensatie die ik ken van eerdere keren dat ik aan geweld of natuurrampen heb blootgestaan. In die heldere staat heb ik gezien hoe agenten liggende mensen schopten met hun zware soldatenschoeisel, op het hoofd en in de ribbenkast, zoals je een vuur uittrapt. De instinctieve haat jegens de ander werd niet ingedamd door zelfbeheersing of een geweldsprotocol dat je van een overheidsfunctionaris zou verwachten.

Ik hoorde studenten vragen:‘waarom gebeurt dit, wat is er aan de hand?’ – een vraag die niet met woorden maar met klappen werd beantwoord. De vraag is een brutaliteit in het oog van de geweldpleger: met de vraag naar het waarom, vraag je hem in zichzelf te kijken, het is een gewetensvraag, en juist zijn geweten is in het gedrang op dat moment, zodat hij zijn geweld niet anders kan legitimeren dan met nog meer geweld.

Ze brachten, kortom, angst en chaos. Ik vroeg de agente tegenover mij op gedempte, niet-confronterende toon wat er aan de hand was, waar we dit aan te danken hadden. Ze keek me niet aan, maar net over me heen, en antwoordde dat het simpel was: ‘Liggen en je mond houden is een eenvoudige opdracht. Wie zich daar niet aan houdt, heeft de gevolgen aan zichzelf te danken.’

‘Als u er zo over denkt, dan begrijp ik uw gedrag’, zei ik, en deed er het zwijgen toe. Ze had me een gesloten redenering gegeven, totalitair van aard: niet wij, maar u bent verantwoordelijk voor wat wij u aandoen.

Voor ik de dancing mocht verlaten, werd ik gefouilleerd door een agent met latex handschoentjes aan. Hij vlooide door mijn bezittingen, de papieren waar ik eerder die avond in de schouwburg van voorgelezen had, maar vond niets onoorbaars. Na het viriele geweld van de knuppels en de laarzen, deden de handschoentjes een beetje verwijfd aan. Toch waren ze uiting van hetzelfde: voor de dragers ervan vertegenwoordigden wij iets smerigs, iets dat ze niet met blote handen wilden aanraken maar alleen met handschoenen en laarzen. Smetvrees en geweld zijn op een obscene manier verstrengeld.

Toch is het uiteindelijk niet het geweld wat me de meeste angst inboezemt, maar het mensbeeld daarachter. Het geweld is een incident, dat gaat voorbij – maar de blik van een mens die de ander heeft teruggebracht tot een object waar hij zijn haat op mag botvieren, die blik zal ik onthouden.

U hartelijk groetend, dit was

Tommy Wieringa