Verdomme

Wat literatuur met je doet – wat schrijvers met je leven doen als zij zeggen wat gezegd moet worden – weet ik dankzij Hugo Claus. Ik weet welke indruk veertig jaar geleden De Metsiers op mij maakte toen ik de twaalfde druk in handen kreeg, een Literaire Reuzenpocket. Met andere kunstreuzen had Claus dé nieuwe literatuur ingeluid. De mannen van Vijftig, dichters en schrijvers, waren de wegbereiders van alle verandering die mijn generatie in de jaren zeventig van de vorige eeuw als een bevrijding heeft beleefd. De Metsiers is een genadeloze beschrijving van de geestelijke en fysieke nood in een bedompte, achterlijke, vieze samenleving, die je naar de strot vloog. De 21-jarige Ana in De Metsiers is drie maanden zwanger en voor honderdvijftig frank per consultatie aangewezen op de drankzuchtige engeltjesmaakster madame Sassen. Ze moet van haar kind af. „Ik kan mij de vorm van een kind niet voorstellen, dat uit mij zou komen van een varken als Smelders. Al wat ik weet is, dat het uit mij moet gehaald worden, dat vormloze iets, waaraan ik geen schuld heb, waaraan ik geen schuld wil hebben.” Het eerste consult is huiveringwekkend, al zegt madame Sassen dat zij het beter zal doen dan andere gewetenloze profiteurs met hun zeepsop. Evengoed beeft Ana van angst na de eerste ‘behandeling’. „Mijn buik, die nat is, doorweekt van binnen. Ik moet alleen door het donker naar mijn tram en dan alleen te voet naar huis. Het is onmenselijk.” Dan moet de illegale abortus nog komen. „Hoe zal zij het doen?” De Metsiers eindigt met de zin: „En morgenmiddag moet ik naar mevrouw Sassen.”

Toen ik de roman voor het eerst las, was ook in Nederland abortus nog illegaal. Wij Vrouwen Eisen moest zelfs nog worden opgericht. Vorige week woensdag debatteerde de Tweede Kamer over de vernederende verplichte ‘bedenktijd’ bij abortus, die vrouwen in onzekerheid houdt, en over euthanasie, op welk punt de christelijke regeringspartijen voor de huidige kabinetsperiode paal en perk hebben bedongen – en daar kwam ineens de gigantische schaduw overheen te hangen van de reus die zelf over zijn einde had beschikt, trouw aan het leven zoals hij het geleid had. Opmerkelijk genoeg is het katholieke België op het gebied van euthanasie liberaler dan Nederland. In de Belgische wet is een amendement opgenomen van de Gentse filosoof Etienne Vermeersch, een vriend van Claus, waardoor euthanasie mogelijk is als iemand in eigen ogen geen menswaardig bestaan meer kan leiden. Zoals de scheidende Belgische premier Verhofstadt het formuleerde in zijn afscheidgroet aan de schrijver, was diens keuze vanzelfsprekend, toen hij bijna niet meer in staat was woorden tot heldere frasen te kneden, „iets wat hem verdomme meer dan zestig jaar geen moeite had gekost, dat was – denk ik – een onontkoombare en ondragelijke kwelling geworden.”

Maar diezelfde dag hing verdomme bij ons in de Tweede Kamer een geur van wierook en urine, men besprak kwijlend van gevoeligheid de ‘ethische kwesties’. De SP was weer eens de ergste van allemaal, hypocrieter dan de broeders van CDA, ChristenUnie en SGP. „Ouderen die lijden door het leven, moet je helpen met het leven. Het zegt meer iets over hoe we met ouderen omgaan”, fleemde Agnes Kant om niet-terminale patiënten het recht op euthanasie te ontzeggen. Met haar ‘hulp’ had Hugo Claus mogen vegeteren en wegkwijnen. Dan was de schrijver, zoals Verhofstadt het zei, „naakt aan de wereld overgeleverd” geweest – en zo had hij ook nog mooi in de reclamespotjes van de SP kunnen worden vertoond. Verdomme. En dat alles om het heimwee naar de jaren vijftig electoraal te exploiteren. Claus zou Zuster Agnes zonder pardon de nonnenkap van het hoofd hebben gerukt.

Abortus, seksuele autonomie, euthanasie, alles wat Nederland zo schijnheilig ‘de gevoelige ethische kwesties’ noemt, stelde Claus zonder omhaal in zijn romans aan de orde. Datzelfde deed hij met de terreur van het geloof en hij eiste de vrijheid op zich daarover uit te spreken, ten koste van een veroordeling tot vier maanden. Des te schrijnender dat wij in het Nederland van vandaag nog steeds zitten opgescheept met de obsolete strafbepaling inzake smalende godslastering.

Verdomme, soms lijkt het of de taboes die de Vijftigers aanvielen en die er in de decennia daarna aangingen, als geestverschijning terugkeren. In Het verdriet van België vermorzelde Claus het taboe op het spreken over collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Nu is het weer not done om over goed en fout te praten. Iedere parallel tussen het heden en de Tweede Wereldoorlog kan op hoon rekenen. Zelfs een pleidooi van de directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie Marjan Schwegman om aandacht te besteden aan verzetshelden geeft aanstoot. De gemeenplaatsen zijn voorspelbaar: ieder mens probeert zo goed mogelijk te overleven, dus wat nou helden? Elke slapjanus weet dat je je gedeisd moet houden als je medemens vervolgd wordt. Maar Hugo Claus durfde het aan zich desnoods te vergissen en zei over Che Guevara: „Alle helden herleiden tot mannen die opkomen voor hun eigen belangen, is een steriele bezigheid. Ja, er zijn helden!”

Zulke woorden zijn dove sintels voor Nederlandse politici die om de kiezers van Wilders niet tegen zich in het harnas te jagen de uiterste omzichtigheid betrachten tegenover vreemdelingenhaat. Claus, genuanceerd in zijn engagement dat zijn kunst nooit mocht schaden, maar altijd bereid stelling te nemen als het nodig was, zei over het xenofobe Vlaams Blok: „Je moet het niet dramatiseren. Als ze twintig procent van de stemmen hebben, wil dat zeggen dat tachtig procent tégen hen is. Het feit dat ze bestaan en zich overgeven aan fasciserend gekrijs, verplicht de andere partijen zich van die ideeën te distantiëren.”

Het is verre van mij Hugo Claus postuum te politiseren, dat zou zijn kunstenaarschap geen recht doen. Zoals hij eens opmerkte: „Het is niet de rol van een auteur op de barricaden te staan, maar wel materiaal te leveren voor de barricaden.” Hij is verdomme dood.

Reageren kan op nrc.nl/etty (Reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie).

    • Elsbeth Etty