Minimensje met blanco blik

Ouders weten zich geen raad met de onschuldige blik van hun pasgeboren baby.

De drang is groot er hun rare grillen op te projecteren.

De mooiste baby van de babyshow, circa 1880. Fotograaf onbekend, collectie H. van Erp Erp, H. van

„O jee, toch niet die baby’s in bloempotten en rodekolen”, is een natuurlijke eerste schrikreactie op de aankondiging van de tentoonstelling Baby in het Nederlands Fotomuseum in Las Palmas op de Kop van Zuid. De conservatoren Iris Sikking en Hedy van Erp zijn zich bewust van deze gevreesde associatie. Maar ja: de mierzoete kitschfotografie van Anne Geddes zit er ook tussen. Een heleboel zelfs. Weliswaar meteen geconcentreerd bij binnenkomst en klein, op ansichtkaartformaat. Ze vormen het woord baby. Maar dat is alles, en dan heb je het ook meteen gehad.

Ontbreken kan Geddes niet, op de tentoonstelling Baby, de ideale mens verbeeld 1840 tot heden. Ze zet immers een 19de eeuwse traditie voort. De expositie toont honderdvijfenzestig jaar babyfotografie. Van het moment dat men de pasgeborenen nog zag als minimensjes, die in lange witte jurken en rijglaarsjes werden gehesen en met touwtjes gedwongen tot rechtopzittend poseren, tot de reclamefotografie anno nu, waar baby een hip en onbetaalbaar mode-accessoire is.

De tentoonstelling is opgedeeld in vier thema’s: Geboorte, Realisme, Madonna en Ideaal. De indeling is niet chronologisch, maar ingericht op aangenaam slenteren, nog benadrukt door de open sfeer van de grote zaal met tussenwandjes vol zachtroze of wit kantbehang en reusachtige barokke boeketten op zuilen. Naast extreem zoetsappige rozengeur en maneschijn-reclamefotografie is er ook een belangrijk aandeel realistisch werk. Daar hangen de dochter van Dirk Kome en de wezenloze kersverse mama’s van Rineke Dijkstra. Alles samen geeft een mooi beeld van de geschiedenis van de beeldvorming van de baby.

Want een baby is voor zijn ouders natuurlijk de mooiste en knapste van de hele wereld: zacht en lief met die grote, dicht bij elkaar staande blauwe ogen in een bolle toet. Maar ook leeg. Niets is zo blanco, onschuldig en neutraal als een baby. En dat biedt aan de ene kant de mogelijkheid er alles op te projecteren wat je maar wilt. Maar aan de andere kant is het ook gewoon lastig voor de ouder die zo ontzettend graag wil laten zien hoe geweldig z’n kind is, aan de buitenstaander die dat niet ziet omdat er nou eenmaal gewoon nog niet zoveel te zien is aan een baby. Voor hem is het toch gewoon een baby. En alle baby’s zijn toch hetzelfde?

De foto’s die dat het meest tegenspreken zijn die van de wereldberoemde ‘in de baarmoeder’-reeks van de Zweed Lennart Nilsson uit midden jaren zestig. Vanaf toen was het mogelijk om haarscherp tot in het kleinste detail de ontwikkeling van de foetus te bestuderen. Voor het eerst werd een ongeboren kind gezien als een autonoom individu. Dat was iets revolutionairs en zette het documentaireachtig fotograferen van het kind in gang, wat vooral in Nederland heeft geleid tot taboedoorbrekende resultaten. Het is ongekend wat er tegenwoordig in het publieke domein verschijnt aan open en bloot bloederige bevallingsfoto’s. Iets wat in Engeland en Amerika ondenkbaar is, waar nieuw leven nooit zal worden geassocieerd met pijn of negatieve emoties.

Uit die contreien treffen we het onvoorwaardelijke geloof in idealisering. De verheerlijkende jaren vijftig: met Walter Blums heel erge happy family. Pappie, mammie, baby; iedereen lacht, iedereen blij. Ook zijn er de 19de eeuwse picturalisten met symbolische Madonna-met-kindverbeeldingen. Met een heel bijzonder exemplaar van Julia Margaret Cameron, dat bol staat van de mythologie. De beeldtaal ligt niet ver af van de hedendaags geportretteerde celebs met kind. Ook is er de baby als kindeke Jezus zelf, bij Nan Goldin compleet met zegenend gebaar. En natuurlijk de pageants, de schoonheidswedstrijden, waar we bruin geairbrushte baby’s zien in synthetische suikertaartjurken. En de typisch Amerikaanse ‘Diaper derby’s’, een sinds de jaren vijftig bestaande variant op de caviarace, waar kruipende baby’s door hun eigen moeders met snoep over de finish worden gelokt.

Maar wie oplet ziet dat het idealiseren/exploiteren van baby’s zich niet beperkt tot de foto’s in de daarvoor opgestelde categorie. Ook in de realismehoek zien we er veel voorbeelden van. Neem het nazi’s Lebensborn-programma uit 1935 waarbij de baby’s die uit hun moeders armen waren gestolen in de opvoedtehuizen op een rijtje klaarzitten om hun te donkere haren te laten bleken. En al in 1872 werd er ‘gephotoshopt’. Oscar Reilander maakte in opdracht van Charles Darwin een portret van een woedend, huilend kind. Het wereldberoemde expressieve ‘realistische’ resultaat was vooral het gevolg van zijn (bij)tekentalent.

Dwalend tussen de vele gefotografeerde baby’s is duidelijk dat we ons geen raad weten met die blanco blik van de pasgeboren mens. De drang om onze rare grillen te projecteren is te groot. En leverde dat in de 19de eeuw nog langdurige studiosessies op, in de jaren zeventig was daar de Pixifotostudio in het winkelcentrum voor, waar mama dan meteen de boodschapjes deed.

En nu is het helemaal makkelijk, iedereen heeft een digitale camera en kan thuis zijn kind in een bloemkool fotograferen. Of die bloederige bevalling.

Bekijk de film over de pageants van Colby Katz op: http://www.colbykatz.com/

Jouw foto van je kind in een bloemkool kun je uploaden op de site van het Fotomuseum, voor de amateur babyfotografie-expo online. Kijk op: www.nederlandsfotomuseum.nl ****

tentoonstelling

Baby, de ideale mens verbeeld 1840 tot heden.

Nederlands Fotomuseum, Rotterdam. T/m 1/6. Info.: http://www.nederlandsfotomuseum.nl/