‘Michelinsterren’ voor Nederlandse sportbonden

Sportkoepel NOC*NSF gaat de 72 aangesloten sportbonden sterren toekennen, vergelijkbaar met de Michelinsterren voor restaurants.

De status wordt uitgedrukt in één, twee of drie sterren en is onder meer van belang voor de hoogte van de jaarlijkse uitkering uit Lottogelden. Via NOC*NSF hebben de bonden uit die pot voor de periode 2009-2012 veertig miljoen euro per jaar te verdelen. Dat is 1,6 miljoen extra ten opzichte van de laatste twee jaar.

De verdeling van de Lottogelden is nu gebaseerd op het aantal bondsleden en de internationale sportprestaties. Bij de nieuwe systematiek wordt volgens het bestuur van NOC*NSF – dat de gewijzigde verdeelmethode vanavond voorlegt aan de leden – meer maatwerk geleverd. Dat kan door de bijdragen aan Lottogelden afhankelijk te maken van de bondsorganisatie, de programma’s en de sportieve ambities.

Voor de hoogste classificatie, drie sterren, komen professioneel geleide bonden in aanmerking die minimaal tien mensen en een technische directeur in dienst hebben. Bovendien moet de jaarrekening minimaal 1,5 miljoen euro bedragen. Daarnaast moeten die bonden de komende vier jaar meewerken aan een collectieve ledengroei van 2 procent. En het topsportbeleid van de ‘elitebonden’ moet erop gericht zijn Nederland bij de beste tien sportlanden ter wereld te laten behoren.

Bonden met twee sterren hebben minder dan 40.000 leden, maar worden wel professioneel geleid. Bovendien moeten zij kunnen bijdragen aan het streven naar ledengroei en een toptienpositie van Nederland. Bonden met één ster kunnen zichzelf redden, maar vinden geen aansluiting bij de hoge sportieve ambities van NOC*NSF. Doorstroming naar ‘twee sterren’ is mogelijk door samenwerking. Als voorbeeld dienen de scherm-, handboog- en vijfkampbond, die gezamenlijk een kantoor hebben.

Op basis van de nieuwe matrix krijgen 29 bonden minimaal twee sterren en 43 één ster. Van de 29 sterke bonden, zijn er minimaal zes verzekerd van drie sterren. Afhankelijk van de ambities kan dat aantal groeien. Bonden met drie sterren worden door NOC*NSF gezien als partners met een belangrijke beleidsinbreng. In tegenstelling tot lagergeclassificeerde bonden hoeven zij niet jaarlijks, maar eens in de vier jaar verantwoording over de besteding van Lottogelden af te leggen.

Uit het vooroverleg over de nieuwe structuur zijn ook meningsverschillen naar voren gekomen. Er zijn bonden die moeite hebben met de verplichting van een technisch directeur voor de driesterrenregeling. NOC*NSF gaat ook akkoord met een andere functionaris zo lang die mandaat heeft over het technische beleid van de bond. Er is vooral onenigheid over de definitie van het lidmaatschap van een bond – van belang omdat het ledental een grote rol speelt bij de verdeling van geld. De discussie spitst zich toe op de minimumeis voor contributie. De opvattingen variëren van 5 tot en met 25 euro per lid per jaar.

Een discussiepunt blijft de 7,2 miljoen euro die NOC*NSF jaarlijks aan Lottogelden krijgt. Een klankbordgroep met bondsdirecteuren zal beoordelen of de sportkoepel dat bedrag toekomt. Bestuurslid Anton Geesink had onlangs kritiek op de rol van NOC*NSF bij de verdeling van Lottogelden. Hij vindt dat de sportkoepel de Lottogelden niet zou moeten verdelen, omdat het een belanghebbende partij is.

    • Henk Stouwdam