Met windvlagen naar Pessoa

Aanmonsteren op een schoener als scheepsarts. Voor de auteur een jongensdroom. Slot van een korte serie met impressies van een parttime scheepsarts.

In Lissabon zweeft de geest van Fernando Pessoa (afbeelding in brons) over de wateren en kades. Foto Picture-alliance/Maxppp ©CARLOS RODRIGUES/SPOTPHOT/MAXPPP LISBONNE LA STATUE DE BRONZE DU POETE FERNANDO PESSOA picture-alliance / maxppp

De bootsman heeft het als eerste gehoord en rent dwars over de zitbanken naar buiten. Hevig geklapper van een zeil dringt door tot het hele schip.

Het zeil aan de achterste mast is gescheurd. Finaal in tweeën. Alle hens aan dek. Met man en macht worden de resten naar beneden getrokken en met lijnen vastgebonden. Onnoemelijk moe geworden, dat bezaanzeil. Maar wat wil je ook. Als je het echt van dichtbij bekijkt, zie je enkel en alleen maar ragdunne, vezelachtige draden. Schering en inslag. Winddicht aaneengeweven. Aan de randen gedubbeld of nog meer. Smalle lijmlagen. Slechts hier en daar versterkt met een koperen ring of stalen draad. Alles aaneengenaaid met een dun draadje uit een naaimachine. Allerlei touwtjes die hier lijntjes heten, en allemaal hun eigen naam hebben, helpen mee om het zeil de juiste vorm te geven. Ongeveer dezelfde vorm als de vleugel van een vliegtuig.

En die vorm is de sleutel, de magie van het zeilen. De lucht, die op verschillende snelheid vóór en achter het zeil langs stroomt, bouwt een drukverschil op en levert de stuwkracht om zeshonderd ton vooruit te duwen.

Het kunnen aanpassen van de vorm van het zeil aan de wensen van de kwartiermeesters en de bootslieden is tegelijk ook zijn zwakte. Want die voortdurende vormveranderingen, naast het onvermijdelijke geklapper, laten die fijne vezels slijten en maken het zeil oud.

Ja, we hebben de zeilen omhoog gehesen. Aan drie masten zelfs. Ondanks de storm. Maar niet helemaal omhoog. Gereefd.

Bij de boeg hangen ook nog driehoekige voorzeilen. Iedereen opgelucht dat die motor eindelijk uit is. Het schip, nu overhellend naar een kant, beweegt sierlijk door de metershoge golven die schuin op ons afkomen. We varen zestig graden aan de wind.

Het waait nu echt hard. 10 Beaufort zegt de stuurman. Het waarnemen van storm gaat via je oren. Een hoge, intensieve, continue fluittoon komt van de masten en de verstaging en hoor je op de achtergrond.

Daardoorheen fladderen de tonen van een koortje amok makende zangvogels. Geen idee waar dat vandaan komt. Afgewisseld met de veel lagere, blazende tonen van de windvlaag. Crescendo hoei, soms blazend woei – woei.

Als we te veel richting Frankrijk varen, moeten we overstag. Draaien door de wind, waarna de wind van de andere kant binnenkomt en varen we ineens zowat richting IJsland. Zo zigzaggen we 8 of 9 keer heen en weer, voordat we eindelijk, in een ruk door, vóór de westkust van Spanje en Portugal langs kunnen. En wordt het aangenamer om buiten te zijn.

Om op een bank, aan de lijkant van de brug, de golven te gaan zitten nakijken, die onder het schip vandaan komen rollen. De vloeiende, golvende, bijna charmante beweging van het rijzen en dalen. Op de toppen van de golven zie je schuimkragen, die ten onder gaan in die voortrollende bergen water. De rimpelingen die je ziet ontstaan op de ruggen van de golven. Vluchtige, fluweelachtige versieringen.

Voor de kust van Spanje heerst hoge druk. Dus weinig wind en moeten de zeilen weer gestreken. En worden we weer motorschip. Dat zich uiteindelijk gereedmaakt de Taag op te varen

Het is nog donker als ik aan dek kom. Een loods die aan boord klimt. In de verte Lissabon, prachtig aangelicht door de opkomende zon.

In mijn hoofd, als een niet tegen te houden draaikolk, honderden versregels van de Ode Marítima.

Die zich vermengen met de beelden van mijn jongensjaren aan de Maas in Rotterdam. Het eeuwige aankomen en het eeuwige vertrekken.

En zie Fernando Pessoa (1888-1935), de dichter, wiens geest hier over de wateren zweeft, wuivend aan de kade.

Om 8 uur liggen we vast.

Na verlof, spoed ik me aan wal.

In een kerk aan de oever van de Taag wil ik een paar kaarsen branden. Als dank voor behouden aankomst.

Maar omdat de hemelen niet van elektrische kaarsen houden, leg ik het geld even later, ongevraagd en onverwachts, een zwerfster op straat in haar schoot. Ze zit naast haar plastic plunjezakken, diep weggedoken tegen de ochtendkou, met een vuile deken om zich heen. Het tovert een prachtige glimlach op haar diepzwarte gezicht.

Een paar uur later op Schiphol kust mijn vrouw mij uit mijn droom. Eerste patiënt morgen acht uur.