Ik word een beetje Baal

Baal jaagt in het stuk van Bertolt Brecht nietsontziend de totale vrijheid na.

Bij het RO Theater wordt Baal gespeeld door een vrouw.

Fania Sorels Baal moet een man zijn die je innig haat. Foto Leo van Velzen Rotterdam, 04-03-08. Sfeerbeelden van de repetitie van "Baal" bij het RO theater, met in de titelrol Fania Sorel,regie Alize Zandwijk. Foto Leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

„Grof en brutaal blijven.” Regisseur Alize Zandwijk roept het met dwingende stem. Het is een repetitiemiddag in de schouwburg van Roosendaal waar aan Baal wordt gewerkt, het eerste stuk van Bertolt Brecht. Fania Sorel, een vrouw, speelt de mannelijke titelrol. In de oefenscène vernedert hij een dame. Baal giet sterke drank in haar mond terwijl zij jammerend over de grond kruipt. De spelers aarzelen. „Hoe moeilijk jullie het ook vinden dat hij iemand voor gek zet”, moedigt Zandwijk hen aan, „hij heeft wél aantrekkingskracht.”

Bij de oude Feniciërs was Baäl een god die mensenoffers eiste, een wrede, wellustige god, met tempels vol eerbare vrouwen die als hoer voor de priesters en voor hem moesten werken. Bij Brecht en bij het RO Theater heeft Baal meer weg van een mens. Van een zingende, zuipende, zwervende jongeman, een dichter, een levensgenieter, vretend en vrouwenverslindend.

Baal, door Brecht op zijn eenenwintigste geschreven, barst van de antiburgerlijke sentimenten. Agressief zette de Augsburgse fabrikantenzoon zich in 1919 tegen het milieu van zijn ouders af – en tegen de goede zeden. Zoals Baal, zo wilde Brecht ook zijn, zo vrij en onbeschoft. Zo helemaal zonder schone schijn. Geen van hogerhand opgelegde plichten meer, waar de jeugd na de Eerste Wereldoorlog de gruwelijke gevolgen van had gezien, maar gehoorzaamheid aan de eigen inspiratie, dat stelde hij zich voor. Zijn voorbeelden waren de Franse dichters Villon, Rimbaud en Verlaine, poètes maudits die de bloemen van het kwaad lieten bloeien.

„Fassbinder en Jim Morrisson”, zegt Fania Sorel na de try-out, „waren ook Baal-figuren. Het zijn mensen die snel opbranden, juist door hun levenshonger. Baal zuigt de wereld binnen, hij zwelt letterlijk en figuurlijk op. Hij heeft een enorme passie voor de natuur, voor het creëren, voor het openlaten van de geest. Alles wil hij proberen.” En elke vrouw die hij heeft uitgeprobeerd, smijt hij weg.”

Dat Baal door een vrouw wordt gespeeld maakt het voor het publiek, denkt Sorel, ongemakkelijker. „Een vrouw die zo gretig seks, kunst en drank tot zich neemt stoort nog meer dan een vrijgevochten man. Van een man die veel vrouwen heeft, zegt men al gauw: topgast! En van een vrouw die veel mannen heeft: schandelijk!”

Zelf is Fania Sorel te verlegen voor een levenswijze à la Baal; samen met haar vriend leeft ze teruggetrokken in de Kempense bossen. Ze is zesendertig, Vlaams en vaste acteur bij het RO Theater. Voor haar rol van Rosa in Onschuld kreeg ze vorig jaar de Colombina, de prijs voor beste vrouwelijke bijrol. ‘Fania Sorel toont de hunkering naar aandacht en liefde op zeer subtiele wijze, met weinig woorden, maar met een prachtige bewegingstaal en ondersteunende mimiek’, aldus het juryrapport.

Al op haar zevende zag Fania met haar ouders Brechts stuk Moeder Courage. „Mijn vader houdt erg van Brecht, van de linkse literatuur. Ik droeg toen ik klein was al gedichtjes voor, voor de vredesbeweging enzo. Later kon ik kiezen tussen scheikunde of theater. Theater: ik doe het veel te graag. Ik leer er zoveel van. Al is het maar hoe je kijkt naar mensen, hoe je een reactie peilt in het publiek, hoe je steeds andere kanten ontdekt van degenen met wie je werkt.”

Op het podium schaamt de schuwe Sorel zich niet meer. „Dan denk ik, man, het is theater, wat maakt het uit. En versier ik zonder enig probleem een vrouw. Op de bühne word ik een beetje als Baal, ook in andere rollen. Ik ga heel ver en het dondert niet als ik eens struikel of val. Altijd kom ik anders uit een voorstelling dan ik erin ging. Een twinkeling in een woord, een blik, dat is voor mij het leven. Wij spelers stuwen elkaar voort.”

Bij de try-out ging er een siddering door de zaal toen Sorels Baal zijn zwangere vriendin Sofie als een slappe pop wegsleurde. Toen Sofie hem klaaglijk vroeg: „Maar mijn kind?” en Baal stug antwoordde: „Begraaf het.” Sorel met woeste schmink op haar blozende gezicht, met mollige armen en een ronde buik: een kruising tussen een kind en een monster.

De actrice, achteraf: „Stel dat iemand na de voorstelling zou zeggen: ik vind het walgelijk – graag! Als je maar iets voelt. Er wordt zó weinig gevoeld. Ik kijk naar het nieuws en zie twee Congolezen die een ander van een brug duwen en pangpang op hem schieten. Maar huilen kan ik er niet om. Kennelijk hebben we andersoortige beelden nodig om door elkaar geschud te worden.”

De beelden in Baal doen niet alleen rauw aan maar ook bedrieglijk simpel. „Het publiek kan soms zien wat er achter het doek gebeurt. Dat doek is nu eens hemelsblauw en dan weer knalgroen of bloedrood en het is expres slordig opgehangen. Omdat Baal een stuk tegen de burgerlijkheid is hebben we een decor gemaakt met materiaal dat al aanwezig was. De doeken lagen in de opslag.”

Het RO Theater gebruikt de oerversie, de eerste draft van Baal: „Omdat de jonge Brecht in één geut opschreef hoe hij het wou. Later heeft hij versies geschreven die veel beschaafder zijn. Hij koos de kant van het systeem waarin hij leefde, het Oost-Duitse communisme, en probeerde het stuk op een aangepaste manier te analyseren. Hij zei: er zit geen wijsheid in. Of, vergoelijkend dan weer: het is een asociale man in een asociale wereld. Hij worstelde ermee.”

Dít wil ze nog even kwijt: „Wanneer het mij lukt om van Baal een man te maken bij wie je wilt zijn, aan wie je je kunt branden, die je innig haat: als ik erin slaag díe zindering over te brengen, dan ben ik tevreden.”

    • Anneriek de Jong