Gesoigneerde binnenvetter die altijd rustig lijkt

Erik Breukink is terug. Hij bleef ploegleider bij de Rabobank, ondanks de affaire-Rasmussen. „Hij heeft zich niet verweerd, maar is er overheen gestapt. Dat is zijn kwaliteit.”

Sanremo - Italie - wielrennen - cycling - radsport - cyclisme - Milano - Sanremo 2008 - Erik Breukink (ploegleider Team Rabobank) - foto Marketa Navratilova/Cor Vos ©2008 Vos, Cor

Op donderdagochtend 26 juli rinkelt in alle vroegte de telefoon aan de Zutphense Straatweg in Spankeren. De avond ervoor is de Ronde van Frankrijk ontploft. De Rabobank Wielerploeg had haar geletruidrager Michael Rasmussen uit de wedstrijd gezet omdat hij had gelogen over zijn verblijfplaats in juni. Daardoor kon hij niet gecontroleerd worden op doping. „Het was tussen vier en vijf uur in de ochtend”, herinnert Wim Breukink (84) zich. Vanuit Frankrijk belt zoon Erik, ploegleider van de Nederlandse formatie. Hij legt zijn vader, oud-directeur van fietsenfabrikant Gazelle, een probleem voor.

„Hij zei: ‘het is vervelend pa, maar de andere renners gaan niet meer rijden. Ze hebben tot laat in de bar gehangen, ze willen naar huis.’ Ik vertelde hem dat hij goed moest nadenken of dat een verstandige beslissing was. Niet starten betekende een groot risico. Het kan verkeerd overkomen bij de sponsor, het is toch zoiets als staken. Bovendien zullen de renners achteraf spijt hebben dat ze de Tour niet hebben uitgereden. ‘Blijf fietsen jongen’, zei ik. ‘Gebruik al je overredingskracht om te zorgen dat ze doorgaan’.”

Nooit eerder leefde Erik Breukink als ploegleider zo op de toppen van zijn emoties als in de eerste 24 uur na het vertrek van Rasmussen uit de Tour van afgelopen zomer.

Die woensdagavond na de etappe wil hij de Deen feliciteren met de ritwinst en het behoud van de gele leiderstrui. Maar hij krijgt te horen dat de gedoodverfde Tourwinnaar door directeur Theo de Rooij naar huis werd gestuurd. „Erik wist in eerste instantie van niets”, zegt zijn vader. Als alle betrokkenen zich later die avond melden in de rennersbus, explodeert de ploegleider. „Nou, toen werd Breuk helemaal gek”, beschrijft Michael Boogerd in zijn eind vorig jaar verschenen biografie Boogie. „Hij riep: ‘Rasmussen en Theo, allebei de bus uit! En als jullie terugkomen, wil ik de precieze reden weten.’ Want Breuk en Erik Dekker [collega-ploegleider, red.] wisten ook niet hoe het zat.”

Van woede valt echter niets meer te bespeuren als Breukink de volgende ochtend om tien uur verschijnt bij het Mercure-hotel in Pau. Tientallen cameraploegen, journalisten en fotografen verdringen zich bij de ingang in afwachting van een officiële reactie van de Nederlandse wielerploeg. Niets is er te merken van de twijfels die doorklonken in het vroege telefoongesprek met zijn vader. Of van de problemen die hij de uren ervoor had om renners als Michael Boogerd en vooral Thomas Dekker weer op de fiets te krijgen voor het vervolg van de Tour. „De renners”, vertelt de ploegleider aan de verzamelde media, „hebben besloten om door te gaan. Het was een zware beslissing, maar als team hebben we besloten om bij elkaar te blijven. Samen staan we sterk.”

Breukink spreekt zacht, melodieus. Hij is de rust zelve, weloverwogen. Even onberispelijk gekleed als altijd, even goed gesoigneerd als in zijn beste rennersjaren. Ook in de ernstigste crisis blijft Breukink beantwoorden aan het beeld dat het wielerpubliek van hem heeft sinds hij in de jaren tachtig en negentig triomfen vierde in de Ronde van Italië en de Tour de France. Of zoals hij de jaren daarna naast Mart Smeets voor de televisie op relativerende wijze commentaar gaf bij de grote wielerwedstrijden.

„Een rustige man, geen opschepper”, typeert zijn oud-ploegleider Peter Post. „De ideale schoonzoon”, zegt collega-ploegleider Erik Dekker: „Hij geeft niet de indruk de baas te zijn, de leider. Maar het beeld dat mensen van hem hebben – altijd rustig en relativerend – klopt niet.”

„Erik kan keihard zijn en ontzettend kwaad worden”, vertelt zijn vader. „Maar dat blijft voor de buitenwereld verborgen. ‘Pa, ik ben het nu allemaal zo zat dat ik de media niets meer vertel maar alleen nog antwoord geef op vragen’, zei hij me laatst. Van origine is Erik vrij nuchter, niet erg mededeelzaam. Goed nadenken voordat je iets zegt of doet – dat heeft hij van mij. Harde beslissingen kunnen nemen ook. Hij zal daarbij altijd eerlijk zijn. Die eigenschap heeft hij van zijn moeder.”

Erik Breukink wordt op 1 april 1964 – te vroeg – geboren in een ziekenhuis in Velp, in de streek waar zijn opa begin vorige eeuw het familiebedrijf Gazelle stichtte. Zijn vader, in de jaren vijftig een gerenommeerd tennisser („ik behoorde tot de top-tien van Nederland”), is dan directeur bij de fietsenfabriek in Dieren waar 500 mensen werken. Wim Breukink geniet daarnaast bekendheid als non-playing captain van het Nederlands Daviscupteam met onder anderen Tom Okker. Zijn Nederlandse fietsenbedrijf is co-sponsor van de in de jaren zestig fameuze profploeg Willem II-Gazelle, met toprenners als Rini Wagtmans en Peter Post. „Ik was bevriend met de familie Breukink”, vertelt Post, de ‘zesdaagsekoning’, in 1964 winnaar van Parijs-Roubaix. „Zijn vader was sponsor en fietste zelf ook. Erik leerde ik kennen als kind dat meekwam naar de wedstrijden.”

Toch begint de jonge Breukink niet direct met wielrennen. „Erik voetbalde”, zegt zijn vader. „Bij Dierense Boys. Hij was rechtshalf of rechtsback, kon vooral hard lopen. Wij speelden van huis uit wel om te winnen, konden slecht tegen ons verlies. Je telt niet voor niets punten. Toen Erik een jaar of twaalf was, zag hij tijdens de gymles dat iemand zijn benen had geschoren. Die jongen was wielrenner, bij Zwaluwen in Doetinchem. Erik ging mee, en toen wilde hij een racefiets.”

Makkelijk op te lossen voor de directeur van Gazelle? „Nee. Zo hebben wij onze kinderen niet opgevoed”, lacht Breukink. „Hij moest er zes weken voor werken in de grote vakantie, in het magazijn van de fabriek. Ik legde het restant bij. Het is hem wel voor de voeten geworpen: zoontje van de directeur, dat wordt niets. Wielrenners moesten boerenzonen zijn. Maar Erik kon hard zijn voor zichzelf. En hij bleek direct talent voor tijdrijden te hebben. Als amateur trainde hij extra op dat onderdeel, hier in de buurt, achter de auto van zijn ploegleider Ben van Erp.”

Breukink rondt het vwo af, begint aan de heao en ontwikkelt zich intussen als wielrenner. „Hij wilde op een gegeven moment prof worden”, zegt Post. „Maar zijn vader was niet zo enthousiast.” Breukink senior nuanceert: „We spraken af dat hij het drie jaar zou proberen. Als hij dan nog knecht was en geen kopman, zou hij teruggaan naar de heao.” Na een debuutjaar bij het bescheiden Skala-Gazelle was Post er als de kippen bij om hem vast te leggen voor zijn ploeg Panasonic. „Ik had Erik al eens zien fietsen. Een tijdrijder, daar was ik gek van. Hij kon nog klimmen ook.”

Bij Post volgt al snel de doorbraak. „Erik was onverstoorbaar, niet gauw nerveus te krijgen”, zegt zijn voormalige ploegleider. „Dat is de aard van het beestje, typisch een ronderenner. Hij was super gesoigneerd, verzorgde zich goed, had goed contact met de andere renners in de ploeg.” Breukink blinkt vooral uit in de Ronde van Italië en de Tour de France. Hij geldt als potentiële opvolger van Joop Zoetemelk, in 1980 de laatste Nederlandse Tourwinnaar.

„Fris, jong, roze leiderstrui in de Giro, witte [voor de beste jongere, red.] en gele trui in de Tour, klimmer en vooral een sterke tijdrijder”, herinnert Erik Dekker zich de renner Breukink. „Als eerstejaars amateur stond ik bij toeval naast hem in de lift”, vertelt Michael Boogerd. „Op mijn kamertje belde ik mijn ouders: ‘pa, ma, wat ik nu heb meegemaakt: ik stond in de lift met Erik Breukink!’ ”

Niets karakteriseert de renner beter dan de legendarische Giro-etappe door de sneeuw over de Passo di Gavia, 5 juni 1988. Johan van der Velde komt als eerste boven maar raakt zoals velen bevangen door de kou en kan niet verder fietsen. In de afdaling passeert Breukink, die van zijn bikkelharde ploegleider geen regenjasje mag aandoen, de Amerikaan Andrew Hampsten en wint de rit. „Mooie dag”, zegt Post met gevoel voor understatement. „Fantastisch”, zegt vader Breukink. „Ik keek altijd voor de televisie, ging nooit met hem mee. Moet je niet doen als ouders, vind ik. Mijn vrouw durfde vaak niet eens te kijken: zij ging meestal de was doen, zeker tijdens die gevaarlijke afdaling van de Gavia. Ik heb ervan genoten. De Tour van twee jaar daarna vond ik nog mooier. Toen was Erik echt de beste tijdrijder van de wereld. Hij reed een fantastische beklimming van de Alp d’Huez en werd derde in het eindklassement.”

Schaduwkanten zijn er ook. Een mindere dag breekt hem in de grote rondes een aantal keren op. In zijn tweede jaar bij de PDM-ploeg van Jan Gisbers raakt hij tijdens de Tour betrokken bij wat in de wielerhistorie bekend staat als de intralipid-affaire. „De hele ploeg moest naar huis”, vertelt zijn vader. „Erik heeft daar een behoorlijke terugslag van gekregen. Het ging om bijvoeding, door de hitte vergiftigd spul. Zonde: hij had die Tour kunnen winnen. Nu moest ik hem ophalen op het vliegveld in Brussel, hij was doodziek.” Zelf heeft Breukink er nooit over willen praten, ook niet in een onlangs verschenen reconstructie van het wielertijdschrift De Muur.

Zoals hij ook liever niet praat over de val die de Italiaanse renner Fabio Casartelli in de Tour van 1995 het leven kostte in de afdaling van de Portet d’Aspet. „Erik viel over hem heen”, zegt Wim Breukink. „Dat heeft hem enorm aangegrepen, dat zo’n jongen dood valt.” De renner rijdt dan voor het Spaanse Once, maar speelt vanaf 1993 geen hoofdrol meer in het Tourklassement. „Je kreeg toen de epogolf [bloeddoping, red.]. Erik deed daaraan niet mee, wilde weten wat er zijn lijf inging. Dat werd door de ploegleiding niet zo gewaardeerd.”

In 1996 kiest hij voor de nieuwe Nederlandse ploeg Rabobank. „Wat me toen opviel, is dat je met hem kon lachen”, zegt Erik Dekker, destijds ploeggenoot. „Een trainingskamp in Colorado, Frans Maassen [nu ook ploegleider, red.] en Erik: slappe lach, tranen in de ogen, buikpijn van het lachen. Om niets.” Michael Boogerd herinnert zich hoe de renners tijdens de Ronde van Zwitserland fantaseerden over de toekomst. „Ik zou ploegleider worden. ‘Doe mij maar buschauffeur’, zei Breuk.” Dekker: „Hij zei toen altijd dat hij geen ploegleider zou worden.”

Als Breukink in 2004 toch ploegleider wordt, overheerst aanvankelijk scepsis. Hij zou niet hard genoeg zijn. „Onzin”, vindt Erik Dekker. „Hij kan juist wel hard zijn, heeft een eigen mening en luistert daarnaast naar de belangrijke renners. Daarbij is hij een uitstekend uithangbord van de ploeg: heeft zichzelf onder controle, komt goed uit z’n woorden.”

Toch komt de eerste ploegleider onder vuur te liggen in het onderzoek dat in het najaar van 2007 in opdracht van hoofdsponsor Rabobank werd ingesteld naar de affaire-Rasmussen. „Zeer onzorgvuldig handelen”, wordt Breukink verweten. Net als de opgestapte directeur Theo de Rooij, wist ploegleider Breukink dat Rasmussen niet in Mexico was, maar in Bergamo, waar hij hem zelfs gesproken had. Hij wist later dus dat Rasmussen gelogen had over zijn verblijfplaats, waardoor de Deen niet op doping gecontroleerd kon worden. Breukink mocht niet langer deel uitmaken van de directie van de wielerploeg, maar hij kon wel aanblijven als ploegleider.

Thuis in Kalmthout lachte Erik Breukink met vrouw en twee dochters om de opening van het NOS Journaal die dag. „Toch heeft hij het er wel moeilijk mee gehad”, weet Erik Dekker. „Innerlijk was hij erdoor aangedaan”, zegt ook zijn vader. „Hij voelde zich de kop van Jut. Toch heeft zich niet verweerd tegen de Rabobank. Hij is er nuchter overheen gestapt. Dat is zijn kwaliteit. En uiteindelijk is hij nu lid van het management in plaats van directielid. Jammer, maar ik zie niet veel verschil.”