Wat doen we met China?

Toen cabaretier Erik van Muiswinkel twee maanden terug opriep tot een boycot van de Olympische Spelen, waren de meeste reacties meewarig. Goedbedoeld, ongetwijfeld, maar zo ouderwets hoogmoedig, zo hopeloos retro, zo helemaal Bram en Freek – dacht hij nu écht dat China van een groepje recalcitrante Hollandse sporters onder de indruk zou raken? Daarbij, politiek was politiek en sport was sport. En elders op de wereld was ook van alles mis.

Er speelde nog iets anders mee. Wie zijn wij om China de les te lezen? Loop een willekeurige boekhandel binnen en je stuit op stapels boeken over de uitverkoren grootmacht van de 21e eeuw. Vriendelijke en minder vriendelijke boeken, maar stuk voor stuk vervuld van onmiskenbaar ontzag over wat daarginds tot stand werd gebracht. In alle toekomstscenario’s wordt de onvermijdelijke neergang van het Westen tegenover de onstuitbare opmars van nieuwe economische grootmacht China geplaatst. Helaas, zeuren over mensenrechten is alleen effectief wanneer je onbetwist de overhand hebt – je kunt Roemenië dwingen de doodstraf af te schaffen, zolang ze in dat land smeken om lid te worden van de EU. Maar uit alle betogen blijkt dat China de wereld niet nodig heeft, maar de wereld China. Kritiek wordt door de Chinese autoriteiten dan ook van de hand gewezen met hooghartigheid – en geschoktheid over zoveel slechte smaak.

Geen wonder dat wie hier zijn stem verheft, zoals Van Muiswinkel, onmiddellijk wordt geconfronteerd met een massale plaatsvervangende schaamte. Wie denkt China de les te kunnen lezen, wordt hoofdschuddend vastgesteld, heeft niet goed begrepen hoe de verhoudingen liggen. Zoals vrijwel alle emoties in het hedendaagse Nederland, gaat ook deze terug op schaamte over het verleden. Het is de gêne over het belerende vingertje, over de linkse Hollandse zelfgenoegzaamheid uit het verleden, toen een groepje subsidietrekkende kunsttypes nog in hun stamkroeg even een vergadering kon beleggen over de vraag wat ze met China gingen doen – en of de VS nog voor een laatste keer gewaarschuwd moest worden. Wij weten beter.

Zo leek het, tenminste. Ruim voor Tibetanen massaal in Lhasa de straat opgingen, deed in Nederland zwemcoach Jacco Verhaeren een beroep op het IOC om zich uit te spreken over de situatie in China. Het bleek het begin van een omslag. Verhaeren pleitte niet vanaf de zijlijn voor een boycot, hij vroeg het IOC om moreel stelling te nemen in het belang van de sporters. Dat het IOC ieder gevoel voor normbesef kwijt is, bleek uit de reactie van lid Hein Verbruggen. Met de gepikeerdheid van de bestuurder die ziet hoe zijn feestje verpest dreigt te worden, noemde hij de oproep van Verhaeren „popiejopie-gedrag van zo maar een zwemtrainer”. Maar Verhaeren werd bijgevallen door bondscoaches Foppe de Haan en Marc Lammers, en ook door zwemmer Pieter van den Hoogenband. IOC-lid Erica Terpstra verkondigde dat ‘de politiek’ maar met China in debat moest gaan, de sporters mochten niet de dupe worden.

Ach, Erica. In september 2007 had dit goedlachse IOC-lid zich al ingedekt. In het blad van Amnesty International verkondigde ze: „China heeft niet belóófd de mensenrechtensituatie te verbeteren als de Spelen in Beijing zouden worden gehouden. Er is alleen een verwachting uitgesproken. In de sportgeschiedenis is bewezen dat grote sportevenementen een belangrijke rol kunnen spelen in de ontwikkeling van een land. Neem bijvoorbeeld de Olympische Spelen van 1988 in Seoul. In de jaren erna bleek wat voor positieve invloed het evenement had op de situatie in Zuid-Korea. De Spelen in Beijing zouden dat ook kunnen hebben op de Chinese hervormingen.”

Uit deze woorden en die van Verbruggen blijkt wat het IOC zich had voorgenomen – lippendienst bewijzen aan de bezwaren van mensenrechtenorganisaties, maar zonder het China werkelijk moeilijk te maken. China verkondigde een tijdlang dezelfde vage boodschap, om critici van de toewijzing van de Spelen aan dat land de wind uit de zeilen te nemen: de Spelen zouden niet alleen sportief een enorm succes worden, maar van China zelf ook een meer „harmonieus” land maken. De erkenning van de autoriteiten zelf dat er iets aan de mensenrechten in China schortte moest genoeg zijn.

Het is niet langer genoeg. De actie van Van Muiswinkel, de oproep van de Nederlandse bondcoaches en het oprechte appèl van Van den Hoogenband hebben iets in gang gezet dat niet meer tegen te houden is – hoe graag het IOC het ook zou willen.

Dat China een opkomende wereldmacht is, maakt dat land niet onkwetsbaar. Integendeel, geen enkele wereldmacht kan de internationale publieke opinie aan zijn laars lappen. Die les hebben de Verenigde Staten de afgelopen jaren moeten leren. De bewering van Terpstra dat sport en politiek gescheiden moeten blijven, is onzinnig. De Spelen waren voor China altijd al politiek, ze zijn bedoeld om dat land een imago van superieure allure te geven, een volwaardige supermacht die technisch, economisch en ook cultureel niet langer een buitenbeentje is. Het politieke establishment van het Westen was volledig akkoord – bovendien, China liet zich toch niets zeggen.

Wat er nu gebeurt, is belangrijk. De reacties die we de komende weken zullen horen, zijn voorspelbaar: het is modieus om nu opeens bezwaar te maken tegen China, terwijl er de afgelopen jaren nauwelijks kritische geluiden te horen waren; Tibet is een natte droom voor sentimentele humanisten, die niet willen beseffen dat de Dalai Lama een relikwie is en dat Tibet vóór de Chinese bezetting allesbehalve een keurige democratie was; en natuurlijk vooral dat het geen pas heeft om andere landen zelfgenoegzaam de les te lezen.

Het zal allemaal. Het doet niets af aan het oprechte engagement van Verhaeren en zijn medestanders. Hun activisme is niet zelfgenoegzaam en ook niet belerend. Zij hebben afgerekend met de gemakzuchtige notie dat sporters geen idee van de wereld hebben – en dat je hen, net als die arme kroonprins, voor die wereld moet afschermen. Wil het IOC nog geloofwaardig worden, dan moet het nu kleur bekennen.

    • Bas Heijne