Primavera

Alessandro Petacchi: ,,Dit is voor mij de mooiste week van het jaar. De Primavera is een vriend die je een jaar lang niet hebt gezien en dan weer in de armen mag sluiten. Terwijl je ook weet dat je onmiddellijk daarna afscheid moet nemen, voor twaalf maanden.”

Erik Zabel: ,,In de afdaling van de Turchino is het of ze plots een ander decor hebben uitgerold. De rotsen en de bomen wijken, en voor je het weet kijk je op een azuren zee en op de palmbomen van de Riviera. Net vakantie.”

Philippe Gilbert: ,,Het fascinerende is de afstand: 300 kilometer. Op de Capo Berta beginnen de benen te branden. De aanloop naar de Poggio is een waar gevecht. Er wordt gespurt aan 60 km/u. De Poggio valt met geen enkele helling te vergelijken. Hij is uniek.”

Tom Boonen: ,,Ik zal blij zijn als ik zaterdagavond in het vliegtuig zit.”

Milaan-Sanremo.

Er zijn gerenommeerde auteurs die het leven indelen naar het jaartal van hun boeken. In 2003 verscheen ‘Dood aan de galg’ en toen had ik griep en mijn vrouw werd voor het laatst ongesteld. Dat werk. Ieder zijn kalender, maar ik houd het graag op Milaan-Sanremo, op de Ronde van Vlaanderen, op Parijs-Roubaix. Op dagen waar heroïek ontbijt is. Wielrenners creëren altijd hun eigen helderheid, dat heb ik bij politici en kunstenaars nooit zo scherp kunnen ontdekken.

Het leuke aan wielrennen is niet de demarrages in de koers, maar de diepe gedachten die voorafgaan aan de wedstrijd. Altijd worden ze genoteerd in hotelletjes met skaizetels en linoleum op de vloer. Met niet eens een zeefdruk van een meesterwerk aan de muur. De molligheid van het peloton wordt ineens molligheid van de wereld. Barbarij.

Dan ben ik thuis.

Natuurlijk zijn de teksten van Petacchi en Zabel nog geen worm in de literatuur van Hugo Claus. En toch zijn ze literatuur. Juist in de schoonheid van clichés ligt de dubbele bodem van dood en leven. Sterven op de Poggio: Balkenende, Marijnissen en Rutte kunnen zich niet voorstellen wat het is. Terwijl het toch ons aller dood is: pap in de benen.

Helaas, ook wielermonumenten zijn vatbaar voor erosie van tijd en commercie. Dit jaar ligt de finish niet op de Via Roma, maar vijfhonderd meter verder op de Lungomare Italo Calvino. Dat vinden sponsors en organisatoren leuk. ,,Als de wind pal vanuit de zee blaast, sta je stil.” Sponsorgeluk.

Wind, zee, verdampte benen: Ernest Hemingway weet er alles van, maar kan het niet meer zeggen. Petacchi en Zabel nog wel. Daarom zou ik zo graag betogen dat er geen wereldliteratuur is zonder de wielersport. Elk epos is ontleend aan de benen van Fausto Coppi, van Gino Bartali, van Jacques Anquetil. En ja: Joop Zoetemelk mag ook meedoen, als epos van door hem verduisterde glorie.

Sommigen zeggen: Milaan-Sanremo is tactisch een strontkoers. Sowieso een vluchtkoers. Als hazen zitten ze op de fiets. Maar dat is schijn. Wie deze lenteklassieker wil winnen, moet vijfentwintig scenario’s voor ogen houden. Elk foutje is fataal. Kom daar maar eens om bij de Belastingdienst.

Ene Sébastian Langeveld zei in de krant dat hij het wel ziet zitten, in Milaan-Sanremo. Altijd leuk: jongetjes die groots denken nadat ze sportman van het jaar in Lisse zijn geworden. Rabo-romantiek in de Bollenstreek. Maar hoe ver kom je daar dan mee op de Poggio? Ik weet het wel: in de bezemwagen.

Iedereen kan Veenendaal-Veenendaal winnen. Man of vrouw, het maakt niet uit. Milaan-Sanremo is per definitie weggelegd voor de crème de la crème. Wereldkampioen Harm Ottenbros heeft uiteraard nooit de Primavera gewonnen. Dat zou niet kunnen: Het gaat in Sanremo niet om kuiten en dope, het gaat om revolutie. De Cipressa en de Poggio zijn hun eigen wereldrijk. Daar kom je niet overheen met dat simpele Hollandse geluk.

Milaan-Sanremo: wereldbank van het wielrennen. Er valt niets te pinnen. Er is alleen de genadeloze wet van superbenen en een helder hoofd. Misschien doet bijgeloof er ook nog toe.

Er was een dag dat Hugo Claus mij over de Poggio sprak. Hij zag graag scheve dwergen als Davide Rebellin winnen. Claus is zijn levenlang in de melancholie van gehandicapten geweest.

In het jaar 1999 won Andrei Tchmil de Primavera. Samen keken we ernaar en Hugo zei: ,,Goh, ook flandriens zijn dus geglobaliseerd.”

    • Hugo Camps