Politici, stop met het vingertje en zorg dat probleemjongeren professionele hulp krijgen

De overheid bemoeit zich met allerlei morele aspecten van ons leven, zowel in de privésfeer als in de openbare ruimte. Rampzalig, want dat is niet de taak van politici en beleidsmakers. Laten zij ervoor zorgen dat beroepskrachten hun werk beter kunnen doen.

Ton Notten

Lector Opgroeien in de Stad aan de Hogeschool Rotterdam. Deze week verscheen zijn boek ‘De lerende stad: Het laboratorium Rotterdam’.

Politici in de grote steden profileren zich steeds vaker als opvoeder van de burgers, iets wat Herman van Gunsteren (Opinie & Debat, 15 maart) terecht verontrust. De stad wil haar inwoners beschaven en corrigeren om onheil te voorkomen.

Van Gunsteren hekelt niet alleen het paternalisme, maar ook het maakbaarheids- en preventiedenken van de gemeentelijke overheid: „Wantrouw de beleidsmaker die naïef beweert dat preventie alleen maar goed en nooit kwaad kan aanrichten. Dat geldt, met alle respect, ook voor de Rotterdamse aanpak van jeugd zoals verwoord in Ieder kind wint in Rotterdam: actieprogramma risicojeugd 2007-2010. Daarin wordt een sluitende aanpak voorgesteld waardoor 100 procent van de jeugdige risicoburgers bestreken wordt, een aanpak die, naar goed-Rotterdamse haventraditie, zonodig dwars door instituties en regels heengaat en een consensus onder alle betrokken werkers vereist”.

Rotterdam voert het soort haastwerk op dat door sociale professionals als leraren, artsen, buurtwerkers, hulpverleners en agenten wel als een aanhoudende projectencarrousel is bekritiseerd. Het vorige college van B&W had ‘veiligheid’ als slogan. Welk beleidsplan de afgelopen jaren ook werd geopperd, steevast moest je er dat sacrosancte woord aan toevoegen. Kortademigheid, een door-en-door gefragmenteerde afrekencultuur, top-down aangestuurd, met een scherp oog voor de mode van de dag, met weinig gedachten vooraf en geen enkele evaluatie nadien.

Tegenwoordig zijn het de ‘stadsmariniers’ en het Sociaal Platform Rotterdam (SPR), onder leiding van Pieter Winsemius, die een fascinerende dadendrang aan de dag leggen, die de altijd trage professionals in de onherbergzame collectieve sector nog verder in de marge dringen en hen ervan weerhouden zich als krachtige en trotse beroepsgroep te organiseren. Op naar het volgende avontuur van politieke dadendrang, interim-management en preventivitis!

Scepsis en nuchterheid worden in Rotterdam soms node gemist, geen bestuurder die er ooit hoorde van de waarschuwing van Sigmund Freud, dat drie dingen in het leven nooit 100 procent zullen lukken: genezen, politiek en opvoeding. Laat staan de combinatie van twee van de drie, het opvoedingsbeleid.

De probleemjeugd opgespoord

Dus dan maar niks doen en de boel de boel laten? Nee, laten we wel wezen. In Rotterdam zijn de problemen van de jeugd en, meer in het algemeen, van de sociale kwaliteit van de stad, taaier en heftiger dan waar ook in het land. Armoede, falend onderwijs, 30 procent probleemjeugd, werkloosheid, en als de beoogde zeven van de veertig krachtwijken van minister Vogelaar in de Maasstad verrijzen, blijft er nog zat werk over. Ziedaar de graadmeters van een falende integratie.

Het is niet alleen een Rotterdams of een grootstedelijk, maar een Nederlands probleem, het probleem van politici en beleidsmakers die zich met de morele randen van het particuliere domein inlaten en die niets doen aan de slechte materiële opgroeivoorwaarden voor veel kinderen, de uitvoering van de jeugdzorg, het jeugdbeleid en bovenal het onderwijs.

Neem het rapport Veiligheid in justitiële jeugdinrichtingen, vorig jaar september verschenen. In die inrichtingen zaten in 2006 4.250 jongeren op strafrechtelijke titel en 1.470 jongeren die niet voor criminele praktijken veroordeeld zijn, maar andere problemen hebben. In specifieke behandelinrichtingen zaten 800 jongeren met een crimineel verleden en 1.600 probleemjongeren van wie bijvoorbeeld de situatie thuis onhoudbaar is.

De opvangcapaciteit van de justitiële jeugdgevangenissen bedroeg eind 2006 zo’n 2.750 plaatsen. Dat is een verdubbeling in tien jaar, maar de druk op de instellingen is groot. Daarmee blijft een aanmerkelijk deel van de daar verblijvende niet-veroordeelde jongeren met problemen onbehandeld. Bovendien is de dagelijkse omgang met criminele leeftijdgenoten én volwassen celgenoten niet goed voor ze. Je steekt veel op in het gevang.

De Algemene Rekenkamer rapporteerde in haar onderzoek Detentie, behandeling en nazorg criminele jeugdigen dat de justitiële jeugdinrichtingen ernstig falen. Niet alleen bij kinderen en jongeren die ten onrechte in de gevangenis zitten, maar ook bij de aanpak van de ‘terechte’ bewoners van jeugdinrichtingen. Van de helft van de jongeren is niet bekend hoe het na de vrijlating met hen gaat en of ze zelfs maar nazorg hebben gehad. Tweederde van wie dat wel bekend is pleegt binnen een half jaar opnieuw een delict of kent andere problemen. Ze moeten gemiddeld twee jaar wachten op een (wettelijk verplicht) behandelplan, dat er in enkele maanden zou moeten zijn. De evaluatie schiet tekort. Door het hoge personeelsverloop is er geen zicht te krijgen op pedagogische uitgangspunten in de inrichting. Elke gedetineerde jeugdige kost overigens 250.000 euro per jaar.

Vijf fasen in aanpak risicojeugd

In het overheidsbeleid voor risicojongeren zijn vijf fasen te onderscheiden.

Eind jaren 40 werd, op instigatie van de KVP-ministers Gielen en Rutten, door pedagogen onderzoek gedaan naar de zedelijke risico’s voor de massajeugd. Die was namelijk in de oorlogsjaren gewend geraakt aan bandeloosheid. Naar de materiële middelen die hun groeikansen moesten vergroten, werd amper gekeken.

In de tweede helft van de jaren 60 brak overal in West-Europa het generatieconflict uit. Nederland wist dat met het optimistisch getoonzette jeugdparticipatiebeleid van de eerste vrouwelijke minister Marga Klompé (ook van de KVP) slimmer te pareren dan de omringende landen. De jeugd gold bij haar als startpunt voor maatschappelijke vernieuwing. De participerende jeugd van 14 tot 21 jaar verdiende een eigen leefdomein en één ministerie. Er kwam een begin van een subsidiebeleid en men hoorde de eerste pleidooien voor interdepartementale samenwerking.

Midden jaren 80 ging het echter weer snel bergafwaarts met de aanpak van risicojongeren. Het prille CDA schoof ‘de verantwoordelijke samenleving’ naar voren als het domein waar de sociale en zedelijke gevolgen van de toen gigantische jeugdwerkloosheid aangevat moesten worden. Warme pleidooien voor een betere gezinsopvoeding (de hoeksteen-metafoor kwam op), tegen de achtergrond van een staat op afstand (minister Elco Brinkman), gingen gelijk op met een jeugdwerkgelegenheidsplan (Jan de Koning). Verbaal stond bij de overheid de zorg om de ‘afwezige jeugd’ voorop, in het bijzonder de multi-probleemjongeren tussen de 16 en de 25. Qua dadendrang amper en het haalde allemaal niets uit. De jeugdwerkloosheid ging vanzelf over.

Een decennium later gewaagde minister Hedy d’Ancona (PVDA) van de jeugd die de toekomst verdiende (de titel van haar beleidsnota uit 1993). Een fors deel van de jeugd kreeg die echter niet dankzij het opkomende neoliberalisme. De minister vestigde eventjes de aandacht op de ‘15 procent risicojeugd’ van vooral allochtone achtergrond.

In de nieuwe eeuw ging men verder met de probleemjongeren. Tussen 2002 en 2004 kwam er een landelijk geregisseerd lokaal jeugdbeleid, Operatie Jong, onder leiding van jeugdcommissaris Steven van Eijck. Er moest meer samenhang komen in het jeugdbeleid en tussen de ministeries en minder bureaucratie teneinde de meervoudige uitval van jongeren meetbaar terug te dringen.

Targets! Minder jeugdwerkloosheid, de helft minder voortijdige schoolverlaters, taalprogramma’s voor de helft van de 2- tot 6-jarigen, reductie van de taalachterstand bij achterstandsleerlingen met 25 procent, aanpak van de jeugdcriminaliteit via het onderwijs, meer aandacht voor inburgering en integratie, meer preventie, en een effectievere aanpak van huiselijk geweld.

Van de resultaten van een voor 2006 beloofd midterm-onderzoek over de opbrengst van deze vijfde fase hebben we nooit gehoord. Nog steeds bestaat de malle per provincie opgezette jeugdzorg en zijn er te krappe budgetten en lange wachtlijsten. Wél valt steeds meer de krachtige taal over het ‘aanpakken en opvoeden’ van de jeugd op: „Het uiteindelijke doel is om kinderen en jeugdigen op tijd en goed te ondersteunen in hun ontwikkeling. Dat is ons aller belang”, aldus Operatie Jong. Hiervoor was een minister voor Jeugd- en gezinszaken nodig en die kwam er in het kabinet-Balkenende IV. Van het budget voor deze post, 6 miljard, mag slechts krap 400 miljoen besteed worden aan nieuwe initiatieven. Zeven bewindspersonen houden zich vandaag met de jeugd bezig. En, o ja, er moeten meer kinderen komen, vindt minister Rouvoet.

Rampen in het onderwijs

Er heeft over een halve eeuw een speurtocht plaatsgevonden naar gevaarvolle jongeren. En ze zijn gevonden. Van een succesvol beleid is het nooit gekomen. Na de gevangenis en het jeugdbeleid komen we op een derde laag in de problematiek van de risicojongeren, en de bijbehorende alibi’s van een falende overheid. Het beste instrument voor integratie van de jeugd is het onderwijs.

Daar gebeuren echter dingen die een kenniseconomie zich niet kan permitteren. Drie vragen: wat is Nederland het onderwijs waard, wie wordt er tot welke vorm van onderwijs toegelaten en wie valt er uit, en hoe werd in de afgelopen decennia het onderwijs vernieuwd?

Het onderwijs is ons te weinig waard. Volgens de klassieke OESO-norm zou minimaal 6 procent van het bbp (bruto binnenlands product) moeten worden besteed aan onderwijs. Europa haalde in 2002 die norm met 5,8 procent niet. Nederland zat daar met 4,8 procent stevig onder. Frankrijk kwam op 5,7 procent, Zweden op 6,7 procent, Denemarken op 6,8 procent. Die percentages moesten volgens het ‘Lissabon 2000’-akkoord jaarlijks groeien. Dat gebeurt bij ons niet genoeg.

Kijk eens naar de bezuinigingen op ons onderwijs tussen 1980 en 2000 over de hele linie. Matig in het basisonderwijs en in het voortgezet onderwijs, extreem in het hoger onderwijs (in het hoger beroepsonderwijs 11,3 procent, en in het wetenschappelijk onderwijs 54 procent). Moraliserende praat hebben we niet nodig, wel meer middelen en professionaliteit.

Een tweede probleem is de selectie door het voortgezet onderwijs. Zestig procent van de twaalfjarigen gaat naar het vmbo, het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs – dat merkwaardige onderwijstype waar de ene helft van de leerlingen op z’n tenen loopt, en de andere helft zich rot verveelt. Van beide groepen ontwikkelt een deel schoolhaat.

Het percentage voortijdige schoolverlaters in Nederland, jongeren die geen startkwalificatie hebben om eenvoudig handwerk uit te voeren, ligt weliswaar onder het EU-gemiddelde 19,7 procent), maar de meeste landen presteren beter. Het aantal 18- tot 24-jarigen dat in 2000 geen diploma in het secundair onderwijs had behaald, bedroeg in ons land 15,5 procent. De uitvalcijfers liggen hoger in de steden, tot 25 procent, en nog weer veel hoger zijn ze bij het (v)mbo: tot 40 procent in grote steden als Rotterdam.

In 2001 merkte de socioloog Kees Schuyt op dat de sociale onrust in de maatschappij het sterkst voelbaar is in het onderwijs. „Als het in de maatschappij regent dan giet het in de school”, zo vatte hij samen. Maatschappelijke problemen verscherpen in het onderwijs, en onderwijsproblemen komen het duidelijkst naar voren in grote steden. Ze hebben een zwaar etnisch karakter. Dat lijkt nog niet door te dringen tot sommige bewindslieden die het integratiedebat vanaf heden op het scherp van de snede willen voeren. Meningsverschillen aanscherpen, en die niet schuwen! Tak! Als ze dat echt meenden dan spraken ze aanhoudend over het onderwijs, dat de stad immers écht tot een emancipatiemachine en een sociale lift kan maken voor voortijdige schooluitvallers en risicojongeren.

Morele paniek

Nú krijgen steeds weer dezelfde kinderen steeds weer te weinig kansen. We zien al een amper te overbruggen transgenerationele onderwijsachterstand en de bijbehorende armoede. We weten hoe belangrijk ouderparticipatie op school is, en ook waar die veelal strandt, zeker in het vmbo: op de argwaan van de amper geletterde ouders over de leerkrachten. Maar ’t is erger: scholen mijden risicoleerlingen, en confessionele scholen hebben in ons land het grondwettelijk recht om niet-passende kinderen te weigeren. Ongeveer tweederde van de scholen heeft die macht. Scholen hebben tegenwoordig klanten die ze van dienst moeten zijn. Zulke scholen kennen publieke rangordelijsten waarop ze worden afgerekend, door berekenende ouders en door de overheid als subsidieverlener. Een liberaal weekblad en een protestants-christelijk dagblad presenteren die lijsten, samen met het ministerie van OCenW.

Ik vat samen. De risicojeugd kent met de al dan niet justitiële jeugdzorg, het jeugdbeleid en het onderwijsbeleid drie gevarenzones die zich concentrisch tot elkaar verhouden. De harde kern, de al dan niet rechtens getraliede jeugd, spreekt het meest tot de verbeelding. Bijna zestig jaar jeugdbeleid liep uit op etikettering en stigmatisering van de problematische jeugd, die sinds enkele jaren een geconcentreerde aandacht vraagt, maar die deze te weinig krijgt – ziedaar de cirkel eromheen. Het onderwijs, in principe de krachtigste buitencirkel, completeert het drama.

De stad als brandpunt van maatschappelijke ontwikkeling. Prima, discussieer erover, in Rotterdam, en in april in de Maand van de Filosofie, die ook al over de stad gaat. Maar laat vooral de moral panics en de opvoedingsaandrang niet onbesproken van de haastige politici die hun eigenlijke werk verzaken. Ken uw Freud!

Op het artikel van vorige week van Van Gunsteren is veel gereageerd. Zie nrc.nl/discussie.