Passie zonder status

Net als politieagenten klagen leraren over een te lage beloning voor hun zware werk. Volgende week gaan ze staken. Een verkenning van twee levens achter de cijfers.

Op de eettafel van Floor ter Wal in haar huisje in Berkel en Rodenrijs – ingeklemd tussen Delft en Rotterdam – ligt een doosje stro met daarop een fel gekleurde plumeau van 2 euro 50. Daarvan gaan de kinderen van haar klas een eierwarmer maken in de vorm van een vogelnestje. Voor Pasen. Uit de plumeau trekt ze de veertjes.

Onderwijs is passie, zegt ze. Je bent er de hele dag mee bezig. Vanavond gaat ze weer naar school om met de directeur en haar ‘duo-partner’ de klas te evalueren. Daarna komen de kinderen met ouders. De kinderen hebben van hun tafeltjes een tentoonstelling gemaakt en gaan hun ouders lesgeven.

„Kennis overbrengen is het leukste dat er is”, zegt Ter Wal. Al sinds ze als kind de juf in klas 3 een hele mooie f op het bord zag schrijven, wilde ze onderwijzeres worden. Ze groeide op in Groningen en Leeuwarden. Toen ze elf was hing een hele groep buurtkinderen om haar heen. Voor die kinderen verzon ze spelletjes, ook toen ze later huiswerk kreeg en geen tijd meer had om mee te doen. Iedereen zei toen al: jij wordt later lerares.

Toch ging ze niet meteen het onderwijs in. Na de Havo deed ze eerst de kunstacademie, maar dat werd niks. Ze had allerlei baantjes via uitzendbureaus: van tandartsassistent en au pair tot het vullen van mandjes met fruit op de veiling. Maar financieel schoot dat zonder opleiding niet op. Het onderwijs bood een redelijk aanvangsalaris. Dus ging ze toen ze twintig was naar de pabo. Het ging haar gemakkelijk af. Vooral de pedagogische vakken vond ze leuk.

Na een jaar op een reguliere school in Bergschenhoek, kreeg ze een baan op de Montessorischool in Delft waar ze al stage had gelopen. Het was „meteen 60 tot 80 uur werken in de week”. Om acht uur ’s ochtends op school, om zes uur thuis. ’s Avonds nakijken en lessen voorbereiden. Om negen uur naar bed. In het weekend sliep ze voornamelijk.

Na twee jaar had ze meer routine en was ze in staat haar tijd efficiënter in te delen. Ze kon ’s avonds zonder schuldgevoel naar de schaatsclub. Maar het werk bleef zwaar. Lessen voorbereiden, vergaderen, gesprekken met ouders, allemaal buiten schooltijd. Leerkrachten hebben inderdaad veel vakantie, erkent ze. Elf weken. Maar de helft gaat op aan het maken van rapporten en het voorbereiden van nieuwe thema’s. Boeken erbij halen, video’s, nieuwe lessen bedenken.

Ook onderwijsvernieuwingen kosten veel tijd. Voor kinderen die achterlopen of iets speciaals hebben als autisme of ADHD moeten tegenwoordig ‘handelingsplannen’ worden geschreven. Dat doet ze ook na schooltijd. In zo’n plan staat hoe kinderen met problemen bij de les gehouden moeten worden. Of hoe een kind in groep 8 dat rekent op niveau van groep 7 zijn prestaties kan verbeteren.

Vroeger werden veel ‘probleemkinderen’ doorverwezen naar het speciaal onderwijs. Een onderwijzer had toen gemiddeld twee kinderen in de klas die ADHD of dyslexie hadden. Floor ter Wal heeft nu tien kinderen in een klas van 25 die extra ondersteund moeten worden. Het is wel beter, met die handelingsplannen, zegt ze, want je houdt goed in de gaten waar het kind in het leerproces staat, en welke volgende stap genomen kan worden. Maar het is wel een forse verzwaring voor de leerkrachten. Elk klein stapje moet worden geadministreerd. „Leerlingvolgsystemen zijn prima”, zegt ze, „maar ze kosten veel tijd.” Zoals alle onzinnige plannen die Den Haag bedenkt. Zonder dat een onderwijzer daar extra voor wordt beloond. Ze had zich erg boos gemaakt toen de politiek riep dat het ook de taak van het onderwijs was om toekomstige terroristen te signaleren. Als de maatschappij het niet meer weet, moeten wij het oplossen, zegt ze.

Wat haar stoort, is dat het niks uitmaakt of je je best doet of niet. Als je je thuiswerk in de heg gooit en ’s ochtend weer opraapt, of dat ‘je je het schompes werkt’, iedereen krijgt elk jaar een salarisverhoging van zo’n 40 euro bruto, totdat je na achttien jaar aan je top zit. Ze noemt dat frustrerend. Bij extra inspanningen zou je een extra stap moeten kunnen maken. Het beginsalaris van een onderwijzer is best aardig, maar daarna zit je vast. Daarom zijn er ook bijna geen meesters meer in het basisonderwijs, denkt ze. Die zijn meer gericht op carrière dan juffen. Onderwijzeressen hebben volgens haar meer het idee: als ik straks kinderen krijg, kan ik ernaast blijven lesgeven. Op haar school van dertig leerkrachten werkt één man: de natuurleerkracht voor twee dagen. Erg jammer, zegt ze, „want jongens hebben ook mannen nodig als voorbeeld.”

Toen ze juf werd, wilde ze een huis kopen. Moest lukken, dacht ze. Ze had toch best een goede baan. Maar meer dan een garagebox kon ze niet krijgen op basis van haar salaris. Dus schreef ze zich in voor een huurwoning. Dat duurde zes jaar. Tot die tijd, tot haar 31ste, woonde ze in een studentenkamer in Rotterdam. Twee jaar geleden kreeg ze de woning in Berkel aangeboden waar ze nu woont. Na acht jaar werken had ze recht op een sociale huurwoning! Dat vond ze wel een grap. Voor het eerst kon ze blij zijn met haar lage salaris. Ze betaalt nu ‘maar’ 480 euro huur, en houdt dus wat over om van te leven. Haar collega met een hypotheek van 900 euro heeft het een stuk moeilijker. Een voordeel is ook dat ze alleenstaand is en geen kinderen heeft, al wil ze die in de toekomst wel.

Ze is gewend om zuinig te leven. Daar is ze dankbaar voor. Ze komt uit een bijstandsgezin, gescheiden ouders. Op tafel stonden nooit chips of cola. Eén keer per jaar gingen ze naar de film. Ze kan nu dus nog blij zijn als ze twee keer naar de bioscoop gaat. In de supermarkt koopt ze de boontjes die in de aanbieding zijn, ook al heeft ze zin in bloemkool. Ze gaat graag uit eten, maar doet dat niet vaker dan een keer in de twee maanden. De APK van haar twaalf jaar oude autootje valt mooi in juni, dan heeft ze net haar vakantiegeld binnen. Maar haar kosten aan benzine voor haar ritjes van Berkel naar Delft en weer terug, worden lang niet gecompenseerd. Ze krijgt per maand 20 euro reiskostenvergoeding.

Vorig jaar ging ze in de toch al dure decembermaand een weekendje weg en kocht ze een nieuw schaatspak. Haar toenmalige vriend betaalde het hotel, maar zij kon hem haar deel niet meteen terugbetalen. Ze moest extra zuinig leven om haar schuld af te lossen: even geen chips of Brie. Dat vindt ze niet moeilijk. Al die aanlokkelijke reclames voor consumentenkredieten, daar trapt ze niet in. Daar moeten enorme rentes voor worden betaald. Ze wil niet in een cyclus van lenen terecht komen. Ook uit principe. Ze spaart maandelijks zelfs een klein beetje.

Maar kinderen in haar klas gaan in mei op een korte vakantie naar Australië. Zouden die ooit nog voor het vak van leerkracht kunnen kiezen, vraagt ze zich af.

Haar buren hebben recht op dezelfde sociale huurwoning, ze verdienen dus een vergelijkbaar salaris. Een zit er in de ICT, een ander is stukadoor, en een derde werkt op de veiling. Haar meeste vrienden zijn universitair geschoold, verdienen veel meer. Een vriendin zit in de private banking en heeft een koophuis in het centrum van Delft. Een andere vriend is manager. In het begin was zijn salaris lager dan het hare, maar na twee jaar verdiende hij al 500 euro meer.

Ze wil hogerop. Nu werkt ze al twee dagen in de week voor onderwijsbond AOB. Ze geeft workshops voor beginnende leerkrachten. En ze volgt in haar eigen tijd een cursus voor schooldirecteur, die ze zelf moet betalen: dit jaar 4.750 euro. Al haar ADV-dagen gaan er aan op, ook veel avonduren. Investeren in de toekomst, zegt ze, hoewel een schoolhoofd ook niet veel verdient. Voor een school van minder dan 200 leerlingen, krijgt een directeur afhankelijk van leeftijd en ervaring tussen de 2.482 en 3.655 euro bruto.

Toen ze op school aankondigde minder voor de klas te gaan staan en meer voor de bond te gaan doen, viel dat niet bij alle ouders goed. Sommigen vonden haar egoïstisch. Ze zou er minder zijn voor hun kinderen.

JA

Dat dienstverband van 107 procent, dat komt omdat Leonore Munneke bovenop de 22 lesuren per week, nog mentor is van een tweede klas (26 leerlingen) en van tien havo 4 leerlingen. Voor de mentorlessen krijgt ze een half uur lestijd vergoed en een half uur voorbereidingstijd. En ze begeleidt nog een jongen met het syndroom van Asperger, die geeft ze individueel extra les.

Ze geeft acht klassen Frans. Ze heeft een blauwe maandag klassieke talen gestudeerd, daarom doet ze ook twee tweede klassen Latijn.

Doordeweeks, zegt ze, is het school, school, school. Zoals vandaag, een dinsdag. Om acht uur op school, nog even wat kopiëren, om half negen de eerste les, en dan door tot vier uur. Twee keer een half uur pauze tussendoor, maar die tijd ging op aan een gesprek met een leerling, een overleg met een collega en nog wat kopiëren. Na vier uur nog een mentorleerling die even wou praten, een ouder belde om iets te vragen. En dan ’s avond nakijken, proefwerken maken en voorbereiden. Van een privéleven, zegt Leonore Munneke, is weinig over.

Ze wist dat het hard werken zou worden, voor weinig geld. Haar ouders zaten in het onderwijs. Haar vader gaf les op de pabo, haar moeder Nederlands als tweede taal. „Ik hoorde ze wel eens klagen, maar je weet pas echt waar je het over hebt als je er staat, voor die klas. Acht keer 26 leerlingen die door je hoofd spoken, aan wie je uur na uur energie geeft. Pietje heeft dyslexie, Jantje heeft het moeilijk thuis en die is net ziek geweest en moet wat inhalen.

Ze wilde graag dierenarts worden. Haalde na haar studie Frans en de postdoctorale opleiding om leraar te worden, nog haar certificaten schei- en natuurkunde. Maar diergeneeskunde is een zware studie, dat wilde ze niet nog zeven jaar doen. En eigenlijk had ze de stages op scholen tijdens haar studie heel leuk gevonden.

En het is ook leuk, lesgeven. Dan zegt een leerling: juf, ik was in Frankrijk en ik kon álles verstaan. Of ze vraagt wie er iets wil vertellen over Jeanne d’Arc, in het Frans. Gaan er zoveel vingers in de lucht, dat ze niet weet wie ze moet kiezen. „Je ziet ze groeien. En daar mag ik bij helpen.”

Maar wat moet ze zeggen als een leerling vraagt: juf, u heeft toch universiteit gedaan, waarom staat u dan voor de klas? Het is ook bespottelijk, zegt ze. „Leraren lopen tien procent in salaris achter op beroepen waarvoor een vergelijkbare studie is gedaan.” Sterker, iemand die hbo heeft gedaan, een tweedegraads bevoegdheid heeft en even oud is als zij, verdient méér. „Een hbo’er heeft een jaar minder middelbare school en een kortere studie. Die kan dus eerder aan het werk dan een eerstegrader. Begint met hetzelfde startsalaris en krijgt er, net als ik, elk jaar 50 euro bij. ”

Fulltime werken betekent in Nederland 26 klokuren voor de klas staan. In heel Europa staat er geen docent zo veel uur voor de klas. En dan voor zo’n laag salaris. „Hier denken mensen: docent, dat is toch een luizenbaantje. Lekker veel vakantie, wat zeur je nou. Maar wij verdienen onze vakantie terug door per week 43,5 uur te werken. Op jaarbasis werk je dan evenveel als iemand met een 38-urige werkweek.”

Een vriendin van haar is docente in Frankrijk. „Daar is het het tegenovergestelde. Een Franse leraar staat maximaal 18 uur voor de klas. Als je daar vertelt dat je docent bent, zeggen ze: knap hoor. Daar zijn strenge selectieprocedures voor de lerarenopleidingen. Van alle aanmeldingen wordt maar vijf of tien procent toegelaten. In Frankrijk heeft het beroep nog status. Met meer loon en goede secundaire arbeidsvoorwaarden. Die vriendin heeft bijvoorbeeld net een kind gekregen, die mag nu drie jaar 80 procent werken, maar krijgt 90 procent betaald. Er zijn zelfs speciale verzekeringen en campings voor docenten.”

Rinnooy Kan heeft de minister van onderwijs geadviseerd de leraren beter te belonen. „Maar dat wil Plasterk niet. Nu wil de Tweede Kamer geld uitgeven aan gratis boeken. Gratis boeken, maar geen docent meer om kinderen er iets uit te leren. Stop dat geld in ons. Wij zijn de spil van de samenleving. Op school worden de kinderen gevormd. En onze taak wordt niet kleiner, eerder belangrijker. Ik heb het geluk dat ik op een leuke school werk, ik moet er niet aan denken dat ik op een vmbo werkte.” Maar ook in haar klassen zitten pubers, en het kost energie om die in het gareel te krijgen. „Zeggen ouders: Pietje staat een onvoldoende, wat gaat u eraan doen. Nou, zeg ik, wat dacht u van huiswerk maken? Maar daar kunnen ze een veertienjarige niet meer toe dwingen, vinden sommige ouders. Wat zij laten liggen, moeten wij oplossen.”

Dat doet ze graag. Alleen, het houdt nooit op. Een week naar Parijs met havo 4, op kamp met de mentorklas, een muziekavond, toneel. „Natuurlijk wil ik mee. Maar ik wil ook nog leven, samenwonen, een gezin. Ik wil geïnspireerd blijven, niet een vast programma afdraaien. Samen Sartre lezen, dit liedje met ze zingen, praten over Franse cultuur. Dat moet ik wel voorbereiden, en die tijd heb ik nu niet. Van de nieuwe, jonge docenten verlaat 75 procent binnen vijf jaar het onderwijs weer. Dat is toch raar? Ik heb bedacht dat ik volgend jaar niet meer fulltime ga werken. Dan maar minder geld. Ik ben niet voor het geld of de carrière docent geworden. Ik wil het graag, liefst tot mijn pensioen. Het is treurig dat dat alleen vol te houden is als ik minder ga werken.” RK

Dit is het tweede deel van een korte serie over salariëring door de overheid. Volgende week: beloning in de zorg. Het eerste deel, over de politie, is terug te lezen op: nrc.nl/binnenland

    • Rinskje Koelewijn
    • Jaco Alberts