Naar Parijs

De Thalys Foto Rien Zilvold zoetermeer de thalys haalt 300km/uur op baanvak hsl bij zoetermeer foto rien zilvold Zilvold, Rien

Trots was ik toen ergens aan het einde van de vorige eeuw de Thalys tussen Amsterdam en Parijs ging rijden. De snelle trein die het eindelijk mogelijk maakte, binnen één dag uit en thuis te zijn. Dat heb ik toen al vlug gedaan en daarna op deze plaats een reisverslag geschreven. Sinds de Eurostar van Brussel via de Kanaaltunnel naar Londen rijdt is volgens mij zo’n dagretour Amsterdam-Londen ook mogelijk. Dat moet ik nog onderzoeken. Na mijn eerste reis met de Thalys, ontwaakte mijn ontembaar verlangen om het nog eens te doen, maar dan voorin, naast de machinist. Dat een verlangen ontembaar is, merk je pas nadat het klaarwakker is geworden. Ik schreef een brief naar de spoorwegen. Ze hadden er begrip voor en zo kwam het dat ik me op een goede dag meldde in de machinistenkamer van het Centraal Station.

Ook deze reis heb ik toen beschreven. De kern van dit verslag is, dat je, na een paar uur te hebben voortgesukkeld met een normale Nederlandse snelheid, je er verbazingwekkend vlug aan gewend raakt als de trein twee maal zo hard begint te rijden. Maar je raakt in heftig innerlijk verzet als het andersom gaat. Hoge snelheid brengt je eerst in een vrolijke roes en dan wordt dit voortrazen functioneel; alsof het altijd zo is geweest. Je weet niet beter. Maar daarna, de terugreis, na Brussel. Dat trage op gang komen, dan weer remmen, raadselachtig stilstaan middenin een weiland, het is en blijft een gruwel.

Vorige week ging ik naar Parijs, met de Thalys. In Nederland was niets veranderd. Ja, de rails van de Hoge Snelheid Lijn liggen er nu al een paar jaar, de tunnel onder het Groene Hart is klaar, maar hoewel de hele aanleg veel meer is gaan kosten, nee, nog geen HSL. In Antwerpen ga je onder de grond, in de tunnel naar het Centraal Station. Het traject is verlegd. Dat heeft een nadeel. Je mist het uitzicht op een rij jugendstil gevels en een paar authentiek Belgische industrieterreinen. In plaats daarvan kom je in een grote, schemerige spelonk. En dan weer boven de grond heb je het Antwerpse vliegveld al achter je.

Daarna wordt het weer gewoon. In België is ieder huis anders dan het volgende. Geen dak ligt in dezelfde lijn als het vorige. Iedere architect heeft zijn verbeeldingskracht de vrije loop kunnen laten, ongeacht wat zijn collega voor de buren heeft ontworpen of wat de buren zelf hebben verzonnen. Het geeft steden en dorpen een montere aanblik, het doet ook denken aan de strips, Gust Flater, Robbedoes. Hoog torent het Paleis van Justitie boven Brussel, en het staat altijd min of meer in de steigers. We zijn in de hoofdstad van Europa. Niet lang.

Nog voor we de stad goed en wel achter ons hebben, heeft de machinist dat kleine nikkelen handeltje ver naar voren geduwd, en daar gaan we! De motoren maken een ander geluid, het landschap flitst voorbij, we komen aan de eerste kerkhoven van de Eerste Wereldoorlog, ik kijk naar de Noord-Franse heuvels en probeer me voor te stellen hoe het er daar negentig jaar geleden heeft uitgezien. Ik denk even aan de oudste veteraan die deze week is gestorven. Heb medelijden met de automobilisten die op de parallelle snelweg in de file staan, en dan zijn we al in de buitenwijken van Parijs.

Hoe ze het doen, het is mij een raadsel, maar deze stad blijft volkomen in orde. Sinds het begin van dit jaar geldt in de cafés en restaurants een rookverbod. Daar wordt de hand aan gehouden, maar tegelijkertijd zijn de faciliteiten voor de verslaafden op hun wenken verruimd. Caféterrassen heb je hier meer dan in enige andere stad. Veel daarvan zijn nu goed overdekt, door schotten afgedekt tegen de wind en van warmtepalen voorzien, een soort straalkachels die je de illusie geven dat het een warme voorjaarsdag is. Daar zit je, ’s avonds om een uur of zeven, met un quart de vin rouge en een asbak op je tafeltje. Op straat het gewemel van de wereldstad, niemand die naast je een ostentatief uche-uche laat horen als je ter bevestiging van je onmetelijke tevredenheid een sigaret opsteekt en niemand die je er met een spandoek op wijst dat die warmtepalen de verhoging van de zeespiegel versnellen.

Het wordt tijd om te gaan eten. Deze keer in een restaurant waar ze alleen Bordeaux hebben, tientallen soorten. Een glas St.Emillion om te beginnen, voor zes euro. De mevrouw van de bediening komt terug, met een verslagen gezicht. Geen St. Emillion meer! Maar we hebben nog wel een Bordeaux die daaraan nauw verwant is. Dan die maar. Ook heel lekker. Het eten niet minder. De rekening. Twee glazen Bordeaux, zestien euro per stuk. Oei! Buitenman beroofd. Het blijft lekker weer, Parijs blijft Parijs en drie dagen later stappen we weer in de Thalys die na de Belgische grens te midden van de weilanden een poosje blijft stilstaan.

S. Montag
    • S. Montag