Mens ontwricht door een gedicht

Het dichterschap van Ed leeflang was herkenbaar, verwonderd, sensitief. Hij viel op door een grote verstaanbaarheid. De dichter werkte tot het laatst aan een nieuwe bundel.

Ed Leeflang Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel Mentzel, Vincent

„Je kan je afvragen:/ wie stapt behouden uit een gedicht?” Deze regel uit de bundel De hazen en andere gedichten (1979) van dichter Ed Leeflang is een prachtig voorbeeld van zijn dichterschap: herkenbaar, verwonderd, sensitief.

Afgelopen maandag 17 maart stierf in zijn woonplaats Amsterdam dichter en docent Nederlands Ed Leeflang. Het moment van overlijden heeft hijzelf verkozen; Leeflang was al geruime tijd ernstig ziek en hij had veel pijn. Leeflang heeft nog tot het laatst aan een nieuwe bundel poëzie gewerkt met Judith Herzberg en Tom van Deel, aldus redacteur Peter Nijssen van zijn uitgeverij De Arbeiderspers, „maar door zijn bovenmatige zelfkritiek is die bundel helaas bij zijn leven niet verschenen en zelfs nog niet voltooid”. Zijn laatste publicatie is de bibliofiele bundel Eenden op één nacht ijs (2000).

Ed Leeflang debuteerde op vijftigjarige leeftijd met De hazen en andere gedichten die werd bekroond met de Jan Campertprijs voor poëzie. In 1981 verschijnt Bewoond als ik ben en een jaar later Op Pennewips plek. Ed Leeflang werd op 21 juni 1929 in Amsterdam geboren; zijn vader was een grossier in modeartikelen. Via zijn moeder kreeg Leeflang belangstelling voor liedkunst, muziek en taal. Al in 1953 stuurde hij gedichten op voor de Reina Prinsen Geerligsprijs, waarvoor hij een eervolle vermelding verwierf. Voordat Leeflang zich aan de poëzie wijdde, was hij werkzaam in de journalistiek en de uitgeverswereld. Vervolgens kwam hij in het onderwijs terecht. Hij was onder meer docent Nederlands in Zierikzee en Amsterdam. Tussen 1960 en 1962 gaf hij les aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag.

Leeflang heeft zeven bundels op zijn naam staan, waaronder behalve genoemde titels Bezoek aan het vrachtschip (1985), Late zwemmer (1992) en Liereman uit 1996. In Liereman betuigt hij zijn liefde voor muziek en liedkunst. Hij schreef ook teksten voor cabaret.

Leeflang viel op door de grote verstaanbaarheid van zijn taalgebruik en herkenbaarheid van de thematiek. In zijn eigen woorden streefde hij naar ‘doorzichtige complexiteit’ en een ‘evenwicht van ironie en sensitiviteit’.

Voor Leeflang was poëzie een spel van grote toewijding. Hij verlangde naar transparante zuiverheid en was geen voorstander van barokke woordkunst. De helderheid van zijn taal staat in mooi contrast tot abstracte begrippen als romantisch levensgevoel en melancholie. Typerend voor zijn werk is deze strofe uit Bewoond als ik ben over zijn geestelijk gehandicapte dochter: „Lang heb ik over haar niet/ durven schrijven/ uit angst voor één/ kunstzinnig woord./ Omdat ik van haar houd/ Mag zij gedichten in.”

In Leeflangs vroege poëzie speelt de Zeeuwse natuur een beslissende rol. Leeflang is een scherp observator met aandacht voor alles wat voorbij gaat en verloren is. In 1999 schreef hij een prachtig verhaal in het literaire tijdschrift Ons Erfdeel over de beeldend kunstenaar Willem den Ouden, die het oude rivierenlandschap langs de Waal kapot zag gaan. Leeflang schrijft over Den Oudens ‘verdriet en woede’ die ook die van hemzelf zijn. Hij bericht over ‘bulldozers die het onherstelbare’ hebben gedaan. Hier is dezelfde betrokken dichter aan het woord die in Bewoond als ik ben de onvergetelijke regels schreef: „Wat ons wordt aangedaan, hoe/ koninklijk het weerloze vertrouwen/ in de zin ervan.”

De mens die Leeflang portretteert kan ontwricht raken door een gedicht, een landschap. Wie eenmaal een groot liefhebber van Leeflangs poëzie is, komt niet zonder kleerscheuren verder. De mens wordt veel aangedaan: verlies, verdriet. Dat is Leeflangs boodschap aan de wereld.

    • Kester Freriks