‘IOC moet verantwoordelijkheid nemen’

Jet Bussemaker (PvdA) is ruim een jaar staatssecretaris van Sport. „Wat ik zo leuk vind, is dat je met sport iets voor elkaar kunt krijgen. Sport bindt.”

Jet Bussemaker: „We moeten bij doping de menselijke maat niet uit het oog verliezen.” Foto Roel Rozenburg Den Haag: 19.3.2008 Staatssecretaris Jet Bussemaker. © foto Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

Jet Bussemaker (47) worstelt met China. Hoe ver kan de staatssecretaris van Sport gaan bij het plaatsen van kritische noten? Niet ver, omdat haar bevoegdheden begrensd zijn. Toen Bussemaker een maand terug in Peking werd ontvangen door de Chinese sportminister Liu Ping kon ze weinig meer doen dan mensenrechtenkwestie in omfloerste termen ter sprake brengen, ook al brandde van binnen een strijdbaar vuur. De Olympische Spelen behoren weliswaar tot haar portefeuille, maar de mensenrechten tot die van Maxime Verhagen, minister van Buitenlandse Zaken.

Maar hoe heeft Bussemaker Ping haar zorgen dan duidelijk gemaakt? Ze schetst de setting. „Net zoals je op televisie ziet bij ontvangsten van regeringsleiders in China, zit je in een grote zaal op een stoel met de medewerkers op een rij langs de muur. Ping vertelt wat en ik vertel wat, met onderbrekingen door vertalingen van tolken. De gastheer begint. Hij zei te hebben gehoord van het debat over de mensenrechten in Nederland en de rondetafelconferentie over dat onderwerp. Vervolgens zei hij te hebben begrepen dat ik geen voorstander ben van een boycot van de Spelen en dat sport niet voor politieke doeleinden gebruikt moet worden. Na dat te hebben beaamd, heb ik onze zorgen over de mensenrechten overgebracht. In lijn met de beleefdheidsnorm zei ik te hopen dat China de Spelen zal gebruiken om de verbeteringen van de laatste twintig jaar door te zetten.”

Zo gaat dat. Niets van een verhit debat of een felle woordenstrijd. Bussemaker voelde er bovendien niets voor Verhagen voor de voeten te lopen. „En dat moet zo blijven, anders zou de sport te veel gepolitiseerd worden. Daar ben ik op tegen, want maatschappelijke en politieke misstanden kun je de sporters niet aanrekenen”, zegt Bussemaker, die Ping vervolgens aansprak op de gehandicaptensport. „Want daar is nog een wereld te winnen. China erkent inmiddels de groep gehandicapten – ik geloof ruim 80 miljoen – en participatie wordt de volgende stap. Ik heb mijn collega gewezen op het VN-verdrag over gehandicapten en het bestaan van een memorandum of understanding over sport uit 2002. Afgesproken is de samenwerking tussen China en Nederland op het terrein van de gehandicaptensport te verbeteren. Verder heb ik Ping aangesproken op de ‘schone kleren campagne’, waarvan hij niet op de hoogte was. Ik streef ernaar om met mijn collega’s de afspraak te maken dat bij de Olympische Spelen van 2012 in Londen geen van de ploegen gebruik maakt van kleren die door kinderen zijn gemaakt.”

Bussemaker was amper terug uit China of zwemtrainer Jacco Verhaeren had in deze krant een discussie aangezwengeld over de terughoudendheid van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) ten aanzien van de mensenrechten. Een actie die de staatssecretaris sympathieker vindt dan de oproep tot een boycot van cabaretier Erik van Muiswinkel. „Ik heb Verhaeren onmiddellijk gebeld, omdat ik hem goed begrijp. Hoewel ik geen gesprekspartner ben van het IOC, vind ik dat er buitengewoon goed naar hem geluisterd moet worden. Het IOC heeft zeven jaar geleden voor Peking gekozen en kan nu niet zeggen: we hebben niets met mensenrechten te maken. Ze kunnen het niet aan de sporter overlaten om er iets van te zeggen. Het IOC moet de sporter beschermen. Ik vind dat het IOC daarin zijn verantwoordelijkheid moet nemen.”

Maar als het IOC in gebreke blijft, is het dan niet de taak van de Nederlandse regering een duidelijk standpunt in te nemen waarnaar de sporters kunnen verwijzen? Bussemaker: „Maar dat doet de regering al. En ik neem mijn verantwoordelijkheid. Ik spreek mijn Chinese collega erop aan en afgelopen maandag opnieuw bij de Europese sportraad in Slovenië. Maar ik vind niet dat we van de Olympische Spelen een politiek spektakelstuk moeten maken, hoewel de sporters ook weer niet in een vacuüm leven. Ja, ik realiseer me dat China de Spelen wel gebruikt voor politieke doeleinden. Daarom moeten we voortdurend in discussie blijven met China. En dat doet de regering. Bij alle contacten komen de mensenrechten ter sprake.”

Die verbinding van engagement met sport spreekt Bussemaker aan. Ze probeert dat ook in haar beleid tot uiting te laten komen. „Wat ik zo leuk vind, is dat je met sport iets voor elkaar kunt krijgen. Sport bindt. Er zijn niet zo veel plekken waar mensen elkaar zo maar tegenkomen. Sport is leuk om te doen, maar kan tevens een middel zijn om maatschappelijke doelen te bereiken, bijvoorbeeld op de gebieden van integratie, kinderopvang of gezondheid. Er gaat 20 miljoen extra naar de sport. Dat is veel geld op een budget van 100 miljoen euro voor de sport.”

Met een extra investering heeft Bussemaker onder andere de combinatiefuncties geïntroduceerd. Een regeling die is bedoeld om in totaal 2.500 sportleraren op (brede) scholen hun werk te laten combineren met een taak bij sportverenigingen. Bussemaker heeft daar hoge verwachtingen van. „Ik heb een dochter van zeven jaar en het lijkt mij fantastisch als zij vanuit school onder begeleiding rechtstreeks naar een sportclub gaat en aan het eind van de middag kan worden opgehaald. Dan ontlast je de ouders ook in sterke mate.”

Maar het mooie idee stuit in de uitvoering op praktische problemen, zoals de geringe bekendheid van die banen. Bussemaker op besliste toon: „Maar ik zit er bovenop, want ik wil mijn ambitie wel waarmaken. Daarom wil ik dat we aan het einde van dit schooljaar aan afgestudeerden kunnen zeggen: hier jongens, voor de komende jaren zijn er 2.500 banen beschikbaar. Het begin is er, want de eerste dertig gemeenten zijn er al mee aan de slag gegaan.”

De combinatiebanen zijn een uitvloeisel van Bussemakers opvatting dat sportclubs ook voor maatschappelijke doeleinden ingezet kunnen worden. Volgens critici geeft zij sportorganisaties daarmee een publieke taak die niet in wet- of regelgeving is vastgelegd. Een oplossing zou kunnen zijn om van sportverenigingen algemeen maatschappelijk nut beogende instellingen (zogenoemde ANBI’s) te maken. Deskundigen bevelen dat aan in geval sportclubs meer doen dan zich richten op de belangen van eigen leden. Een voordeel is onder andere een gunstige fiscale behandeling. Het Kamerlid Joop Atsma (CDA), sportkoepel NOC*NSF en belastingadviseurs hebben ooit opgeroepen die stap te nemen.

Bussemaker: „Ik vind het een sympathiek idee, maar er zijn fiscale tegenwerpingen. Ik ben er niet mee bezig. Eens in de zoveel jaar wordt dat geroepen. En de vraag is steeds: wat zijn het algemene belang dienende instellingen, waar ligt de grens? Geldt het bijvoorbeeld ook voor professionele voetbalclubs? Bij nadere bestudering is het buitengewoon gecompliceerd. Clubs opsplitsen in een maatschappelijke tak en een sporttak? Dan vraag je veel van sportverenigingen. Bovendien maak je het dan bureaucratisch. Ik denk dat vooral kleine clubs daar niet blij mee zullen zijn. Ik vind dat sportverenigingen hun primaire taak kunnen verweven met een maatschappelijke rol, maar geen publieke verantwoordelijkheid moeten dragen.”

In Europees verband bepleit Bussemaker aandacht voor de specifieke kenmerken van sport in het gemeenschapsrecht. Bij de behandeling van het Witboek Sport (het document waarin de Europese Commissie sport gerelateerde kwesties regelt, red.) met de sportministers, afgelopen maandag in Slovenië, is afgesproken dat aparte afspraken gemaakt worden voor de handel in jonge (voetbal)talenten, de zekerstelling van sportfinanciering, de teamsamenstelling (wel of geen beperking van het aan aantal buitenlanders, red.) en de positie van spelersmakelaars. Bussemaker: „Wij willen voorkomen dat we te veel afhankelijk worden van jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en worden opgezadeld met een ‘van geval-tot-geval benadering’. We willen enige rechtszekerheid vooraf. Niemand is voorstander van nieuwe richtlijnen voor de sport, maar we willen wel dat de specifieke kenmerken van sport worden erkend. We verlangen dat sport in Europa de plek krijgt die het verdient en niet op alle onderdelen onderhevig is aan interne marktwerking.”

Aan goede internationale afspraken hecht Bussemaker ook als het over doping gaat. Een strafrechterlijke aanpak acht ze niet wenselijk, maar de staatssecretaris maakt zich wel zorgen over de toenemende inbreuk op de privacy van sporters. Met het huidige systeem van de whereabouts (de dagelijkse meldplicht van sporters voor vliegende dopingcontroles, red) heeft ze grote moeite. „Zoals het nu is geregeld gaat het wel erg ver”, vindt Bussemaker, die wijst op de gemiste controle van zwemster Marleen Veldhuis door haar aanwezigheid bij het Sportgala. „We moeten de menselijke maat niet uit het oog verliezen en ons houden aan de nationale privacyregels. Ik begrijp dat we niet zonder whereabouts kunnen, maar we moeten de discussie met elkaar aangaan of sporters nog langer vogelvrij verklaard moeten worden. Het zal je gebeuren dat je gestraft kunt worden omdat je twee uur langer bij je jarige moeder blijft zitten. Laten we het normaal houden en zorgen dat het voor de topsporter leuk blijft.”

Een ander punt van verbetering is volgens Bussemaker de emancipatie van de sport. Ze is bijvoorbeeld geschrokken van het geringe aantal vrouwen in sportbesturen. „Bij landelijke sportorganisatie is één op de bestuursleden vrouw, terwijl er net zo veel vrouwen als mannen actief sporten. Er is in tien jaar niets verbeterd. Heel tegenvallend. Daarom heb ik dat probleem via een brief nog eens bij de sportorganisaties onder de aandacht gebracht.”

Een opmerkelijke vaststelling in een land waar de organisaties die het sportbeleid bepalen worden geleid door een vrouw. Er is volgens Bussemaker geen sprake van een competentiestrijd tussen haar en Erica Terpstra, de voorzitter van NOC*NSF. Ze spreekt van gedeelde verantwoordelijkheid. „NOC*NSF moet leidend zijn als het om de sportbonden gaat en mijn ministerie bij de besteding van publieke middelen. Er is geen sprake van een machtsstrijd. We voeren periodiek overleg en wisselen gedachten uit. Ik hecht aan het oordeel van NOC*NSF, maar laat me niet leiden.”

    • Henk Stouwdam