Elke gezwommen centimeter is op video vastgelegd

Technische hulpmiddelen zijn onmisbaar bij het analyseren van zwemraces. „Jacco bestudeert vooral de week na een toernooi urenlang beelden en cijfers.”

19-03-2008, EINDHOVEN. VIDEOANALYSE. FOTO BAS CZERWINSKI zwemmen training analyses

Dat Marleen Veldhuis één van de snelste sprintsters ter wereld is, was al bekend toen zij dinsdag met de Nederlandse zwemploeg een fenomenaal wereldrecord zwom op de 4x100 meter. Toch was haar slaglengte tijdens die race korter dan die van de andere Golden Girls, Inge Dekker, Ranomi Kromowidjojo en Femke Heemskerk. Veldhuis verplaatste zichzelf 2,05 meter per zwemslag. Ter vergelijking: de slaglengte van Heemskerk was in het eerste deel 2,40 meter. Wat Veldhuis zo snel maakte was de hoge frequentie van haar slagen: gemiddeld 54 slagen per minuut. De rest kwam niet boven de 50.

Race-analisten leggen sinds enkele jaren elke gezwommen centimeter van elke zwemrace ter wereld die ertoe doet vast op video. Hoog in de nok van het zwemstadion staan ze op een rijtje naast elkaar, een batterij van camera’s: de Nederlanders, de Duitsers, de Engelsen, de Fransen.

Aan de hand van de beelden doen analisten metingen, die per zwemmer, per race honderd gegevens opleveren. De Nederlandse zwembond KNZB beschikt inmiddels over een database met zo’n 3.000 races – alle belangrijke wedstrijden sinds 2003, zegt André Cats, innovatiemanager bij de bond. „De gegevens zijn een kwartier na de race beschikbaar op de laptop van de bondscoach.”

Van elke zwemrace is uiteindelijk alleen de laatste centimeter van belang. Elk detail kan de doorslag geven. Coaches gebruiken de data om te onderzoeken waar de zwemmers zichzelf kunnen verbeteren. „De belangrijkste tip die we kunnen geven is dat een zwemmer de race gelijkmatig indeelt”, zegt Cats. „Erin knallen en een oplopend schema zwemmen, zoals veel schaatsers doen op de 1.500 meter, werkt niet bij zwemmen.”

Cats geeft als voorbeeld de „ultieme race” tussen de Zuid-Afrikaan Roland Schoeman en Pieter van den Hoogenband in de olympische finale van de 100 vrij in Athene (2004). „Schoeman ging als een waanzinnige weg. Pieter was de langzamere zwemmer, maar hij won wel. Je kunt op de laatste tien meter een voorsprong van een halve meter verliezen.”

Ook Veldhuis is zo’n snelle starter. Halverwege haar races ligt ze steevast onder het wereldrecord van de Duitse Britta Steffen, maar ze verliest de strijd op het eind. „Tussen 85 en 95 meter leverde ze relatief veel in. Dat betekent dat Marleen in het begin haar slagfrequentie enigszins zou moeten controleren. Als ze volle bak weggaat, moet ze dat aan het einde bekopen. Natuurlijk wist ze dat al, maar hiermee hebben we veel nauwkeuriger informatie.”

Coaches als Jacco Verhaeren, Marcel Wouda en Martin Truijens maken er veelvuldig gebruik van. „Jacco bestudeert vooral de week na een toernooi urenlang beelden en cijfers”, zegt Cats. „Mede aan de hand daarvan stelt hij zijn trainingsprogramma’s op.”

De race-analyses leverden vorig jaar, bij de WK in Melbourne, een schat aan gegevens op over de Amerikaan Michael Phelps, die op de 200 vrij Pieter van den Hoogenband versloeg met een uniek wereldrecord. „Dat was iets heel bijzonders”, zegt Cats. „Het was voor het eerst op wereldniveau dat iemand zo’n sterk derde keerpunt had. Phelps was na 150 meter zó sterk dat hij nog tien meter onder water kon blijven, waardoor hij zijn armen even wat rust gaf voor de laatste veertig meter. Daarna stoomde hij weg.”

Coaches kunnen met de gegevens van topzwemmers onder meer berekenen hoe een race het beste kan worden ingedeeld. Bij individuele zwemmers worden fouten of zwakke plekken ontdekt waar zij mee aan de slag kunnen, bijvoorbeeld ’s avond in de finale. Maar in veel gevallen zijn het ‘gewoon’ tekortkomingen. Cats: „Dan moet een zwemmer gewoon een jaar heel hard trainen.”

De analyses zijn geen tovermiddel. „Je kunt moeilijk tegen Marleen Veldhuis zeggen: ga tussen de 85 en de 95 harder zwemmen. Coaches krijgen door die analyses informatie waar zij op dat moment niks mee kunnen, puur omdat de zwemmer fysiek niet beter kan.”

Maar een goede coach filtert die informatie en kijkt waar hij bij de finales later op de dag nog iets mee kan. Cats: „Je moet een zwemmer niet frustreren met informatie waar hij niks mee kan. Maar vaak kunnen coaches wel tegen hun zwemmers zeggen dat ze iets rustiger moeten starten, pace je race, dan zwem je misschien een halve seconde sneller.”

Uit de database blijkt dat de Nederlandse zwemmers relatief zwak zijn bij de start en de keerpunten, de onderdelen van de race waarin steeds meer zwemmers de toegestane onderwaterfase van vijftien meter ten volle benutten. „Een verschrikkelijk snelle zwemmer kan op een 200 meter zomaar 1,5 tot 2 seconden inleveren op keren”, zegt Cats. „Op die vlinderbeenslag moet dus veel getraind worden. Je ziet het verschil bij sterren als Michael Phelps, Natalie Coughlin en Markus Rogan, in Nederland bij Marleen Veldhuis en Inge Dekker. Uit de analyses blijkt dat we daar wel beter in worden.”

Ondanks alle toegenomen kennis is de weg naar medailles niet wezenlijk anders geworden, zegt Cats met een glimlach. „De bottom line is toch dat je heel hard en heel veel moet trainen.”