De president sprak Wall Street moed in en de koersen kelderden

Onder een verwelkt staatshoofd sukkelt Washington onzeker voort, ontdekt Maarten Huygen.

Waar is president Bush? In rekken van kiosken in Washington zag ik ansichtkaarten van historische figuren en nationale monumenten, maar geen foto van het staatshoofd. Uiteindelijk trof ik in een grote souvenirwinkel in het centrum van de stad tussen parafernalia van politieke partijen en van de krijgsmacht, de FBI en de CIA op een vergrote ansichtkaart het grijnzende gezicht van de president, bovenop het Witte Huis en andere monumenten geplakt. Dat was het enige portret. Geen First Lady. Wel hingen overal speldjes, ijskastmagneten en plaatjes van de presidentskandidaten Hillary Clinton, John McCain en Barack Obama.

Het is gebruik dat een praktisch uitgeregeerde president beleefd wordt genegeerd. Terwijl het staatshoofd eenzaam in zijn paleis zijn einde afwacht, is de reuring bij de verkiezingslegers in het land. Maar de afwezigheid van de president in souvenirrekken was nieuw voor mij. Zelden is Washington zo onverbiddelijk. Drie jaar geleden nog durfde bijna niemand kritiek te leveren op de president, om hem niet te storen in zijn oorlog tegen de terreur. Nu laat iedereen hem in de steek. Op cartoons en in veel satirische boekjes wordt hij afgebeeld als kleuter.

Ik zag Bush zelf nog wel, op tv, een schaduw van zichzelf. Het leek of hij voor de spiegel had geoefend om zich te vermannen. Vorige week vrijdag, na de instorting van de zakenbank Bear Stearns, las hij aan de New Yorkse Economische Club een toespraak voor. Zijn ogen stonden in een joviale pretstand en de dunne lippen waren in een grijnsgrimas. Maar hij was een suikeroom met kapotte cadeautjes. Wall Street zakte verder in. Afgelopen maandag zat hij in het Witte Huis tussen zijn economische adviseurs als de slechte leerling die zich charmant door de beurt wil bluffen. „We hebben sterke en doorslaggevende actie ondernomen”, zei hij. Het commentaar van Wall Street kwam wat later. De koersen kelderden.

Washington verkeert in onzekerheid. Overal staan huizen en appartementen te koop. Er worden plannen gemaakt om puin te ruimen als de brokkenpiloot uit het Witte Huis is verdwenen. Beleidsspecialisten in denktanks manoeuvreren voorzichtig om de aandacht te trekken van de kansrijkste presidentskandidaat. Het voordeel van een machtswisseling is dat alle schuld op de oude president kan worden gestapeld zodat zijn opvolger brandschoon begint. Maar daarmee komt geen einde aan slechte Amerikaanse neigingen, zoals leven op te grote voet en overschatting van de eigen invloed op de wereld. Ook de nieuwe president erft de kredietcrisis en de oorlog in de Irak.

Onder een Democratische president zou Wall Street er niet beter voor hebben gestaan. Er zouden net zo goed overmoedige leningen zijn verstrekt aan arme huisbezitters. Geen president had gretige bankiers ervan weerhouden om hun winsten en bonussen op te pompen door te handelen in pakketten schulden alsof het zakken goud waren.

Vorige week, op de noodlottige ochtend van de val van zakenbank Bear Stearns, zat ik bij de presentatie van een reddingsplan van Democratische Congresleden om de pakketten dubieuze hypotheekschulden te saneren. Het forum werd ingeleid door de voormalige minister van Financiën onder president Clinton, Robert Rubin. Als New Yorks zakenbankier heeft die aan alle financiële trends op Wall Street meegedaan, goed en fout.

De deelnemers aan het forum waren het erover eens dat geld uitdelen en renteverlagingen niet deugen. „Het is als het bestrijden van een virus met antibiotica”, zei voormalig onderminister van Financiën en universiteitshoogleraar aan Harvard, Larry Summers, kernachtig. Maar of dit Democratische plan om de hypotheekschulden openbaar te gaan veilen nu beter was? „Waarom zou iemand mijn portemonnee kopen als ik die zou veilen?”, vatte Summers de onzekerheid puntig samen. „Hoe weten de anderen wat erin zit?”

In een forum bij een Democratische denktank was de vraag wat regeringsfunctionarissen in Washington weten van Irak. Weinig, vindt softwaremiljonair en documentairemaker Charles Ferguson, want ze zijn er meestal niet geweest. Hij ging er zelf wel heen en confronteerde daarna alle betrokken bestuurders met hun wanbeleid van vijf jaar geleden. In zijn documentaire No End in Sight is te zien hoe de opstand in 2003 volgde op het ontslag van alle Iraakse ambtenaren en militairen, die best met de Amerikaanse bezetter hadden willen samenwerken. Maar toen ze op straat stonden, leden ze honger en begon de ellende.

Amerikaanse officieren die contacten hadden opgebouwd met het Iraakse leger, wisten waar de munitiedepots lagen en werkten aan een interim-regering werden terzijde geschoven, want hop, daar kwam Paul Bremer uit Washington om onderkoning te worden. „Hij wilde alleen weten of hij een eigen kok kreeg. In onze bevindingen in Irak had hij geen belangstelling. Hij stuurde alle Irakezen naar huis”, zei een Amerikaanse inlichtingenofficier uit die tijd. Het land raakte vleugellam.

Volgens Ferguson is het onmogelijk om in Washington onpartijdig advies te krijgen over Irak. „Iedereen heeft een agenda. Laatst zat buitenlandspecialist Zbigniew Brzezinski mij twintig minuten lang uit te leggen hoe de situatie in Irak in elkaar zat. Maar hij weet geen fuck over Irak. Hij is er nooit geweest”, concludeerde Ferguson. Het is wel bekend dat het geweld in Irak is verminderd. Daarom is er meer optimisme over een goede afloop. Dat is in het voordeel van de Republikeinse kandidaat John McCain en het maakt Barack Obama’s oppositie tegen de oorlog minder belangrijk. Volgens een peiling van USA/Today willen de meeste Amerikanen niet meteen terugtrekken. Dat Amerika in het begin zo jammerlijk heeft gefaald, is een argument te meer, zodat alles weer goed kan worden gemaakt. Die stemming kan zomaar weer omslaan als de zelfmoordacties toenemen, of de shi’itische milities zich weer roeren. Afgelopen donderdag herdacht president Bush de oorlog die toen precies vijf jaar duurde. „Met uw hulp zal de strijd in Irak eindigen in overwinning”, beloofde hij aan de militairen. Hij zal het niet als president meemaken. Op hem valt niet te rekenen.

    • Maarten Huygen