‘Chinezen willen onze identiteit vernietigen’

Het verhaal van Lowsa Pekamkanzeh (37) over zijn gevangenschap in Tibet ‘Ik was een burger met een zwarte hoed. Slecht.’ Foto Maurice Boyer Tibetaan Lowsa Pekamkanzeh thuis in de Bijlmer met foto van Lhasa Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 080320 Boyer, Maurice

‘Toen ik veertien jaar oud was, stuurde mijn moeder mij naar een klooster in Lhasa. Het was voor mij namelijk niet meer veilig in mijn geboortedorp in Oost-Tibet. Dat kwam omdat mijn vader ooit had geprotesteerd tegen de Chinese bezetting. Hij was daarna gearresteerd en gevangen gezet. In de gevangenis is hij overleden. Ik heb mijn vader daarom nooit gekend. Wat ik over hem weet, heb ik van mijn moeder gehoord.

Vanwege de activiteiten van mijn vader kregen mijn moeder en ik een zogenoemde ‘zwarte hoed’, dat betekent dat je een slechte burger bent. Wij werden daarom overal gediscrimineerd. We konden ook elk moment worden opgeroepen om ons ergens te melden en dan moesten we op onze knieën zitten en werden we uitgescholden en geslagen. Vandaar dat mijn moeder het verstandiger vond mij naar Lhasa te sturen. Ik maakte me zorgen om haar en vroeg: als ik er niet ben, wie zal dan voor je zorgen? Maar zij antwoordde: als ik weet dat jij veilig bent, kan ik proberen Tibet te ontvluchten.

Ik nam afscheid van mijn moeder. Ik zou haar heel lang niet meer zien, meer dan twintig jaar, maar dat wist ik toen gelukkig niet. In het klooster in Lhasa had ik het goed. De regels waren streng en we moesten urenlang de boeddhistische leer bestuderen, maar mijn leraar was heel aardig. Hij stelde me gerust als ik me zorgen maakte om mijn moeder. En ik was altijd samen met de andere monniken. Het was gezellig.

In oktober 1987 ging ik naar een protestbijeenkomst tegen de Chinese onderdrukking. Want sinds de Chinezen Tibet zijn binnengevallen, zijn de Tibetanen niet meer vrij. De Chinezen proberen ons hun taal en cultuur op te leggen, terwijl we onze eigen taal en cultuur hebben en die is totaal anders dan de Chinese. In de winkels en de kantoren werken allemaal Chinezen en die eisen dat je Chinees spreekt, anders sturen ze je van het kastje naar de muur. Alle belangrijke functies worden bekleed door Chinezen. Ze willen langzaam onze identiteit vernietigen, zodat we niet meer zullen verlangen naar onafhankelijkheid.

Ik ging naar de protestbijeenkomst omdat mijn leraren mij meenamen. Ik was zeventien jaar oud en eerlijk gezegd hield ik me niet zo bezig met de Chinese onderdrukking. De Chinese politie was snel ter plekke. Ze dreven de bijeenkomst schietend uiteen en wij vluchtten terug naar het klooster. Daar hebben we ons verstopt. Drie jaar lang heb ik ondergedoken gezeten, maar in 1990 waagde ik me naar buiten om deel te nemen aan een religieus feest in Lhasa. Ik werd meteen opgepakt. De politie herkende mij van een foto die was genomen tijdens de demonstratie in 1987. Ze bewerkten me met elektrische stokken zodat ik geen weerstand zou bieden en brachten me naar de Gutsa gevangenis, die berucht is vanwege de ondervragingsmethodes die ze daar hanteren. Ik heb uitgebreid kennis gemaakt met die methodes. Elke dag werd ik uit mijn cel gehaald en in elkaar geslagen terwijl ze me vroegen waar de andere demonstranten waren. Maar ik heb niets losgelaten. Ik beweerde dat ik me al die tijd had schuilgehouden in de bergen. Op een gegeven moment braken ze mijn linkerarm, maar ik mocht niet naar een dokter. Die arm is daarom vergroeid: ik zal hem nooit meer goed kunnen gebruiken.

In de Gutsa gevangenis kregen we nauwelijks te eten: een klein beetje rijst, een meelbal en soms wat groente. We sliepen op de grond vlakbij de bak waarin we onze behoeftes moesten doen. We durfden nauwelijks met elkaar te praten, zo bang waren we om verraden te worden. In zekere zin had ik er profijt van dat ik monnik was, want ik was gewend aan een hard leven. Daardoor kon ik het volhouden. Er waren gelukkig ook Tibetaanse bewakers. Die gaven ons thee en de restjes van hun maaltijden.

Na een jaar hielden de ondervragingen op en werd ik aan het werk gezet. Ik moest schoonmaken en op de groentevelden werken. Vijf jaar lang heb ik in die gevangenis gezeten, zonder enige vorm van proces. Toen ik werd gearresteerd, hield ik me nauwelijks bezig met de Chinese onderdrukking. Maar in de gevangenis is een klein vlammetje een groot vuur geworden. Ik heb daar veel geleerd over hoe het zit met de Chinezen en Tibet. Ik ben wijs geworden. En hoezeer ik er ook voor heb moeten boeten, ik heb nooit betreurd dat ik op die dag in oktober tegen de Chinezen heb gedemonstreerd.

Na vijf jaar werd ik met vijf andere gevangenen teruggebracht naar mijn geboortedorp. We mochten het dorp niet verlaten en vonden onderdak in een klooster. Ik wilde mijn moeder opzoeken, maar ik kon haar nergens vinden. Ik heb aan veel mensen in het dorp gevraagd of ze wisten waar ze was. Maar er was niemand die me iets over haar kon vertellen. Ik dacht dat ze dood was.

Ondertussen hadden er wekelijks kleine protesten plaats in ons dorp. Er werden pamfletten verspreid of er werd een Tibetaanse vlag aan een boom gehangen. Niemand wist wie het had gedaan, maar wij waren natuurlijk meteen verdacht. Op een dag kwam een wijze oude man ons waarschuwen. Hij zei: jullie moeten vluchten, want ze staan op het punt jullie weer te arresteren. En als je voor een tweede keer wordt gepakt, zijn de consequenties nog ernstiger.

Wij zijn toen ’s nachts op pad gegaan en lopend door de bergen getrokken. Na drie dagen kwamen we aan in de Chinese provincie Sechuan. Daar woonde een oom van mij en bij hem heb ik aangeklopt om hulp. Ik bracht hem daarmee in gevaar, maar wat kon ik doen? Hij bood mij onderdak en heeft uiteindelijk geregeld dat ik naar Nederland kon vluchten. Dat was in 1999.

En nu woon ik dus in een flat in de Bijlmer. Van het hoogste land ter wereld ben ik terecht gekomen in het laagste land ter wereld. Het was wel even wennen. Nederlanders houden van afspraken maken en van op tijd komen. Dat hoeft in Tibet allemaal niet. Je hoeft niet van te voren te bellen als je langs wilt komen en je mag gewoon alles pakken als je ergens op bezoek bent. Dat mag hier niet, hier moet je het eerst vragen. Toch vind ik de Nederlandse cultuur een goede cultuur. Het is goed dat er regels zijn, al is het dan wennen.

Ik heb een tijdje in een Chinees restaurant in de Bijlmer gewerkt. De baas was een in Nederland geboren Chinees, een heel goede man. Maar mijn collega’s kwamen direct uit China. Ze pestten me en noemden de Dalai Lama een slechte man. Ik wist wel dat ze niet beter konden weten, want dit krijgen ze nu eenmaal te horen in China, maar ik dacht toch: als dit zo doorgaat, komt er vechten van. Toen heb ik ontslag genomen. Nu ben ik weer op zoek naar werk. Ik wil graag aan de slag als schoonmaker, maar liever nog in de catering.

Vorig jaar heb ik mijn moeder weer gezien. Ik hoorde van mijn neef dat ze naar Nepal was gevlucht en ik heb haar daar opgezocht. Ik was heel blij om haar na zoveel jaren weer te zien. Maar ik zag ook dat zij van binnen kapot was. Ze huilde en ze praatte nauwelijks. Ik heb maar niet te veel vragen gesteld. Ik heb haar getroost en gezegd: wees maar niet bang. De Nepalese politie zal een oude vrouw als jij nooit terugsturen naar Tibet.

Ik ben geen monnik meer, maar ik ben wel altijd mijn gebeden blijven zeggen, ook toen ik in de gevangenis zat. De laatste tijd bid ik langer, wel twee uur per dag, omdat het zo slecht gaat in mijn land. Onlangs belde ik met mijn neef en die vertelde me dat in mijn geboortedorp vijf mensen zijn gedood vanwege de protesten. Ik kijk maar niet al te veel naar de televisie, want ik weet als geen ander wat er met de mensen gebeurt die worden opgepakt. Ze worden gemarteld, krijgen nauwelijks te eten, krijgen geen advocaat, geen proces, helemaal niets. Tibetaanse gevangenen worden in de gevangenis geslagen en gemarteld met elektrische stokken. Hun organen raken daardoor ernstig beschadigd. Het gebeurt vaak dat deze mensen vrij komen, maar dat ze daarna toch sterven omdat ze van binnen kapot zijn gemaakt.

Ik ben aan dit lot ontsnapt en leid nu een rustig leven. Ik probeer de gevangenis te vergeten, maar soms droom ik er van. Dat zijn van die dromen waarvan je wakker schrikt. Verder blijf ik hopen dat het ooit goed komt in Tibet. Dat kan, met internationale hulp. Maar ja, de Chinese economie groeit en groeit. Wie durft er nog zijn mond open te trekken tegen zo’n machtig land?”

Renate van der Zee

    • Renate van der Zee