Chinees paternalisme valt verkeerd

Met economische ontwikkeling wil Peking de Tibetanen voor zich winnen. Maar veel Tibetanen ervaren dat als inbreuk op hun traditionele en spirituele levenswijze.

De steile bergwanden even buiten het Chinees-Tibetaans stadje Kangding in westelijk Sichuan zijn versierd met honderden aan witte linten geregen gebedsvlaggetjes. Waar de Dar en de Tse zich schuimend en kolkend verenigen, is in een scherpe, uitstekende bocht eeuwen geleden een gebedstempeltje met een wit dak gebouwd.

„Die graftempel willen ze slopen om de rivier te verbreden en twee waterkrachtcentrales te bouwen. Dat zou een groot verlies van cultureel erfgoed in dit gebied zijn”, zegt Cui Zu Bin, een Chinese gids van de Sichuan Scientific Exploration Association (SSCE).

„Ik ben vóór de ontwikkeling van Kangding, we hebben elektriciteit nodig. Maar door een gebrek aan respect voor de heilige plaatsen van Tibetaanse boeddhisten, zijn Tibetanen de Chinezen nog meer gaan haten”, legt de Tibetaanse hoteleigenaar Lao Rong Deng Zhen uit. Hij is betrokken bij de pogingen van monniken, hoteliers, gewone Tibetanen en een onafhankelijke Chinese hulporganisatie om de tempel te behoeden.

Dat er zonder levensgevaar geprotesteerd kan worden tegen de sloop van een tempeltje is op zich een groot verschil met 58 jaar geleden – toen in opdracht van partijleider Mao Zedong meer dan 6.000 kloosters, graftempels en culturele relikwieën werden vernietigd. Maar de kans op succes is klein.

De Grote Roerganger wilde de Tibetaanse cultuur, taal en religie uitroeien, want, zo redeneerde hij, geloof is anti-marxistisch. De huidige premier Wen Jiabao daarentegen spreekt over het respecteren van minderheden en hun religies, hoewel hij net als de meeste Chinezen het Tibetaanse boeddhisme maar een curieus bijgeloof vindt.

Lao Rong, een Tibetaanse zakenman in goede doen, vertelt dat ondanks de relatieve tolerantie in de Tibetaanse gebieden in de provincie Sichuan de bemoeienis van de overheid en de Chinese Communistische Partij met de Tibetanen groot en ingrijpend is. Positief, zegt hij, zijn de economische ontwikkeling en de voedselhulp aan arme dorpelingen in de bergen, aan wie ook yaks (een rundersoort), tv’s en satellietschotels worden uitgedeeld.

Liever praat hij niet over de negatieve kanten. Maar duidelijk wordt dat de monniken in Kangding, net als in de Tibetaanse gebieden in Sichuan, Gansu en Qinghai en de Autonome Regio Tibet, nauwgezet worden gevolgd door de politie. Portretten van de spirituele leider, de Dalai Lama, zijn verboden. De opstand van 1959, toen de Rode Wachters van Mao tienduizenden Tibetanen uitroeiden en de Dalai Lama verjoegen, mag niet herdacht worden.

Er staan agenten in burger bij de kloosters, die regelmatig geïnspecteerd worden. Bezoekers worden gefilmd. Geen van de monniken in de An Jue- en Nanwu Si-kloosters van Kangding durft te praten met een buitenlandse journalist. Bij de uitgang van Nanwu Si, een zee van kleuren tegen een achtergrond van een bruingrijs rotsmassief, laat een jonge monnik die onder zijn roodbruine gewaad Nike-sneakers draagt, zijn mobieltje zien: op het schermpje staat een foto van de Dalai Lama. Hij zegt geen woord.

Volgens de Chinese politicoloog en Tibetexpert Liu Junning van de Universiteit van Peking zijn de indringende aanwezigheid van de Chinese overheid in het dagelijkse leven van de Tibetanen én de discriminatie van Tibetanen op de arbeidsmarkt belangrijke factoren in de anti-Chinese rellen vorige week in Lhasa.

„Inderdaad is er sprake van paternalisme. Tibetanen vrezen dat de Chinezen hun manier van leven willen veranderen. China denkt inderdaad dat economische ontwikkeling de etnische spanningen doet verdwijnen”, aldus Liu per e-mail.

Net als de Chinese autoriteiten is hij verbaasd over de anti-Chinese geweldsexplosie in Lhasa. In Chinese ogen vormt de economische ontwikkeling van Tibet en de Tibetaanse prefecturen een uitweg uit een slavenbestaan. Gewezen wordt op de indrukwekkende groeicijfers, de gestegen Tibetaanse inkomens, de voedselhulp en het feit dat Tibetanen ook toegang hebben tot de Chinese universiteiten en het Nationale Volkscongres. „Dat is niet genoeg om de hearts and minds te winnen”, denkt Liu.

Een deel van de Tibetaanse gemeenschap ziet projecten als de stuwdammen bij Kangding, het nieuwe vliegveld op 4.000 meter hoogte, de duizenden kilometers lange treinverbinding naar Lhasa, de toeristenhotels en Chinese winkels aldaar als evenzoveel inbreuken op hun traditionele, spirituele levensritme. De Han-Chinezen worden gezien als opdringerige, agressieve, ongelovige materialisten.

Voor Chinezen, diep geschokt door de televisiebeelden van Tibetanen die in Lhasa Chinese winkels plunderden, een Chinese motorrijder doodknuppelden en een achttienjarig Chinees meisje een brandend huis injoegen, is de uitbarsting van anti-Chinees protest een grote schok. Het feit dat alle politieke en militaire leiders van Tibet, inclusief de Tibetaanse overheidsfunctionarissen, in Peking waren voor het Nationale Volkscongres was veelzeggend. Niemand van het politieke en militaire leiderschap, ook de Tibetanen onder hen, was voorbereid.

Minstens zo schokkend vinden de Chinezen dat in het buitenland zoveel begrip is voor „de plunderende, brandstichtende Tibetaanse meute”, die wordt gemanipuleerd door „de kliek van de Dalai Lama” en niet voor de achttien Chinese slachtoffers. Volgens de Chinese autoriteiten, die de gebeurtenissen vooral zagen als kwestie van ordehandhaving, is er juist uiterst omzichtig gereageerd. Dat er met scherp geschoten zou zijn op monniken en demonstranten, met bijna honderd doden tot gevolg, zou een verzinsel zijn.

Een van de weinige buitenlandse journalisten die in Lhasa waren, The Economist-correspondent James Miles, noemt de Chinese versie van de feiten een „plausibele lezing”. Hij noch andere journalisten en buitenlandse toeristen hebben gezien dat het leger op monniken en jongeren schoot.

Tot grote opluchting van de Chinese autoriteiten zijn de internationale reacties op de verwikkelingen in Tibet zeer terughoudend geweest. De VS en de belangrijkste Aziatische landen, met name Japan en India, zwegen in feite. Van een boycot van de Olympische Spelen is geen moment sprake geweest. Dat is opnieuw een blijk van de economische en politieke macht van China in de regio en de wereld. Als het om China gaat wordt er zeer omzichtig en diplomatiek gemanoeuvreerd.

Tibet en de Tibetaanse gebieden in Sichuan, Qinghai en Gansu zijn intussen een week na „de rebellie van Lhasa” overspoeld met tienduizenden, overwegend jonge soldaten van het Chinese volksleger. Niets wijst erop dat de Chinese overheid concessies zal doen aan de separatisten onder de Tibetanen. Tibet is daarvoor een te belangrijk wingebied van grondstoffen als koper, ijzer en lood. De instroom van Han-Chinezen en de ontwikkeling worden onverminderd voortgezet.

Gesprekken met de verafschuwde Dalai Lama, waar de Britse premier Brown voor lijkt te pleiten, zijn kansloos, denkt ook professor Liu. Peking verwijt de hoogste lama uitgerekend in dit Olympische jaar „de harmonie tussen vredelievende volkeren” ernstig te hebben verstoord. Liu: „En dat is in de ogen van de Chinese autoriteiten een onvergeeflijke zonde, één in een lange rij.”

    • Oscar Garschagen