Woorden zijn daden

Woorden trekken grenzen die vaak kunstmatig zijn, zegt filosofe Judith Butler. Wat betekent dat, nu grenzen letterlijk en figuurlijk steeds vaker overschreden worden?

Na een inburgeringsexamen in Den Haag kregen de geslaagden de tekst van het Wilhelmus, een Nederlandse vlag en een speelgoedooievaar (de ooievaar komt voor in het wapen van Den Haag) mee naar huis. Foto Roel Rozenburg Den Haag:24.8.5 Dag van de inburgering. En de geslaagden mochten na het zingen van het Wilhelmus, de Nederlandse vlag, een speelgoed ooievaar mme naar huis nemen en een blokje kaas, met de nieuwe vaderlands vlag, nuttigen. foto; NRC Handelsblad, Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

Judith Butler:Opgefokte taal. Parrèsia, 241 blz. € 24,90

Woorden kunnen dodelijk zijn; maar ook loopjes hebben hun gevaren. Ooit was er in een klein Amerikaans stadje een jongen die nogal heupwiegend rondliep, op een manier die als ‘vrouwelijk’ of ‘verwijfd’ werd beschouwd. Op een dag spraken een paar andere jongens hem er op straat over aan; er ontstond een vechtpartij, de jongen werd van een brug gegooid en stierf. De Amerikaanse filosoof Judith Butler brengt dit voorval in herinnering, en vraagt wat er zo bedreigend was aan het loopje van deze jongen dat hij ervoor moest sterven. Het toont volgens haar hoe wankel onze gangbare normen van mannelijkheid en vrouwelijkheid zijn, en met hoeveel geweld het in stand houden ervan gepaard kan gaan.

Seksuele normen, ondermijning, geweld: het zijn hoofdthema’s in Butlers werk. In Nederland is ze vrijwel onbekend; in Amerika en Duitsland trekken haar lezingen volle zalen. Niet omdat ze slogans of pasklare ideeën verkondigt. Haar schrijf- en spreekstijl is juist veeleisend, en levert vooral vragen op. Zo zaait ze twijfel bij zaken die gewoonlijk niet ter discussie worden gesteld.

In haar eerste belangrijke boek, Gender Trouble uit 1990, bestrijdt ze het idee dat biologisch geslacht een natuurfeit is. Daarvoor doet ze enerzijds een beroep op het wetenschapsfilosofische inzicht dat ook de biologie een theorie is ; anderzijds maakt ze bezwaar tegen de stilzwijgende veronderstelling dat seksuele identiteit normaliter heteroseksueel zou zijn.

Vervolgens betoogt ze dat seksuele identiteiten performatief tot stand komen, dus in en door ons handelen. Daarmee bouwt ze voort op het taalfilosofische inzicht dat we met woorden veel meer doen dan alleen feiten beschrijven of meningen uiten. Een priester die zegt ‘Bij dezen verklaar ik u tot man en vrouw’ beschrijft niet, maar maakt twee mensen tot echtelieden. De notie van performativiteit ontleent Butler aan de analytische filosoof J.L. Austin: die verkondigt dat sommige uitspraken feiten niet beschrijven maar juist tot stand brengen, puur en alleen door te worden uitgesproken. Het duidelijkst wordt dat uit de Amerikaanse cartoon waarin een vroedvrouw een pasgeboren baby ophoudt en enthousiast roept ‘ ’t is een potje!’

In Opgefokte taal, dat onlangs in Nederlandse vertaling is verschenen, past Butler het taalfilosofische idee van woorden als daden toe op het verschijnsel hate speech. Dat leidt tot een verfrissende kijk op kwesties van vrijheid van meningsuiting en censuur. In Amerika proberen feministen sinds jaar en dag om pornografie te laten verbieden omdat die aan zou zetten tot verkrachting. Ook is het in het Amerikaanse leger verboden om uit de kast te komen; het juridische argument daarvoor veronderstelt dat het openlijk uitspreken van de woorden ‘I am gay’ een performatieve daad kan zijn: het zou aanzetten tot homoseksualiteit onder soldaten, en daardoor het leger verzwakken.

Lijnrecht tegenover zulke pogingen tot censuur staat de eis van racistische groepen om hun hate speech te mogen uiten met een beroep op de vrijheid van meningsuiting. Butler deelt de twijfels over censuur, maar schaart zich niet aan de zijde van de laatsten: haarfijn legt ze de schijnheiligheid bloot van pogingen om racistisch en ander ophitsend taalgebruik voor te stellen als voorbeelden van vrije meningsuiting die de bescherming van de overheid verdienen. Wie kwetsende taal spreekt, doet doorgaans veel meer dan slechts meningen uiten. Berucht is het geval van een brandend kruis in de tuin van een zwarte Amerikaanse familie. Door deze verwijzing naar de Ku Klux Klan en zijn lynchpraktijken op te vatten als een geval van vrijheid van meningsuiting, stel je de daders voor als slachtoffers van staatscensuur, en de getroffen familie die om vervolging had gevraagd als de daders.

Maar Butler verzet zich tegen het aanscherpen van de wet, en daarmee het vergroten van de macht van de overheid. Je vergroot dan volgens haar niet alleen de mogelijkheden van censuur en onderdrukking, je stelt ook woorden te ondubbelzinnig voor als daden waarvan de effecten eenduidig vastliggen. De macht van woorden is niet te onderwerpen aan algemeen geldige wetten, betoogt ze, juist omdat ze in specifieke omstandigheden onverwachte effecten kunnen hebben.

In een speciaal voor de Nederlandse vertaling geschreven voorwoord bekijkt Butler kort hoe deze thematiek hier in Nederland ligt. Veel sterker dan in Amerika wordt hier het recht op vrijheid van meningsuiting benadrukt, en veel minder ligt hier een taboe op het kwetsen van etnische, raciale of religieuze groepen. Ook worden volgens haar hier te lande de rechten van homo’s ingezet om die van etnisch-religieuze minderheden aan banden te leggen. Van moslims wordt maar al te vaak luidruchtig geëist dat ze expliciet erkennen niets tegen homo’s of homoseksualiteit te hebben, voor ze als legitieme gesprekspartner worden aanvaard.

In haar meest recente werk snijdt Butler zulke en andere vragen rond globalisering aan, vooral aan de hand van migranten, illegalen en etnische minderheden. Seksuele, maar ook etnische en nationale identiteiten komen performatief tot stand, en ze kunnen op vergelijkbare manieren worden geparodieerd en ondermijnd.

In het onlangs verschenen pamflet Who sings the Nation-State (zie inzet) is Butlers uitgangspunt de status van hedendaagse statenlozen, zoals illegale immigranten, die verstoken zijn van de rechten verbonden met het staatsburgerschap. Daarmee sluit ze aan op het werk van de Duits-Amerikaanse politieke filosoof Hannah Arendt, die in haar beroemde Origins of Totalitarianism statenloosheid had aangewezen als het centrale probleem van de moderne staat, en het concentratiekamp als de ultieme belichaming van moderne staatsmacht. Volgens Butler gaat Arendt echter in haar discussie van statenlozen (zoals uit Turkije verdreven Armeniërs, of uit Israël verdreven Palestijnen) nog teveel uit van de territoriale natiestaat. In de hedendaagse geglobaliseerde wereld heeft de territoriale en soevereine rechtsstaat sterk aan vanzelfsprekendheid ingeboet. Het zinnebeeld daarvan is volgens haar de Amerikaanse gevangenis op Guantánamo: degenen die hier opgesloten zijn, zijn noch ‘gewone’ gevangenen noch krijgsgevangenen. Bovendien ligt Guantánamo niet op Amerikaans grondgebied, en valt het volgens de regering-Bush ook niet onder het gezag van de Amerikaanse wet. De noodtoestand lijkt hier tot regel geworden, en soevereiniteit en territorialiteit lijken buiten werking gesteld.

Je kunt je afvragen of deze kritiek niet wat zwaar is aangezet; maar ze vestigt wel nadrukkelijk de aandacht op de diverse vormen van geweld die statenlozen worden aangedaan uit naam van een als vanzelfsprekend veronderstelde natiestaat. Minder extreme, vergelijkbare vormen van geweld worden uitgeoefend wanneer illegalen verstoken blijven van onderdak, onderwijs of essentiële medische zorg.

Op soms veeleisende, maar soms ook speelse manieren verkent Butler de conceptuele grenzen van de liberale rechtsstaat. Het is goed dat haar belangwekkende werk nu ook toegankelijker wordt voor een Nederlandstalig publiek, juist op het moment dat de vrijheid van meningsuiting hier zo dramatisch wordt voorgesteld als onverenigbaar met de rechten van religieuze minderheden, en waarin een mythische ‘Nederlandse identiteit’ wordt gepresenteerd als de oplossing voor alle nieuwe vragen rondom de integratie van niet-westerse migranten en de voortschrijdende Europese eenwording. Uw blik op volk en vaderland, en op seks, ras en politiek, zal nooit meer dezelfde zijn.

    • Michiel Leezenberg