Voer haar man soms op de grote vaart?

Uit besproken boek Erik Kessels: In almost every picture, deel 6. KesselsKramer Publishing, 80 blz. €24,95. www.kkoutlet.com onbekende vrouw

Erik Kessels: In almost every picture, deel 6. KesselsKramer Publishing, 80 blz. €24,95. www.kkoutlet.com

Het schilderijenoverzicht van de Finse Helene Schjerfbeck, afgelopen zomer in het Haags Gemeentemuseum was volgens het publiek de indrukwekkendste tentoonstelling van 2007, zo meldde een kunsttijdschrift. Curieus, want er hingen nogal wat zwakke doeken tussen, die niet konden tippen aan het hoofdbestanddeel van Schjerfbecks werk: de zelfportretten. Die legendarische serie bestrijkt de levensloop van de jonge, soms schichtige Helene naar de hoogbejaarde mevrouw Schjerfbeck. Schilderde zij zichzelf eerst nogal braaf, op het puriteinse af, en later een stuk losser, aan het slot bleven er wat schimmige vlekken over, donker als diepe schedelholtes. Schjerfbeck nam een voorschot op de dood, door zichzelf op het linnen letterlijk weg te vegen.

De al vaak om zijn eigenzinnigheid geprezen ‘creative director’ Erik Kessels presenteert nu in de zesde aflevering van zijn boekjesreeks In almost every picture ook een serie zelfportretten met een en dezelfde vrouw, maar dan vervaardigd volgens het gemakzuchtige procedé van de pasfoto. Wie zij is of was is onbekend. Om de paar jaar – ook achtereenvolgende jaren – liet ze een portret van zichzelf maken, in een pasfotohokje of bij een fotograaf. Het resultaat is een ‘minimal autobiography’, zoals Kessels het noemt, die ruim vijftig levensjaren en zo’n zeventig opnamen omspant. Op elke zwarte pagina van het boekje staat ze afgebeeld. Bij het snel doorbladeren van het boekje krijg je dus het Muybridge-effect van een ‘bewogen’ leven.

De serie begint met een boos kind dat in 1926 door de wijsvinger van een onzichtbare ouder gedwongen wordt in de lens te kijken. En het eindigt in 1978 met het vitale, ontspannen gezicht van een vrouw van middelbare leeftijd, ‘beaten by life’, maar tevredener dan decennia eerder. Lachen doet zij niet vaak en soms is zij – op papier althans – verfrommeld geraakt. Of, zoals op de foto’s uit 1940-45, bijna geheel vervaagd.

Vooral haar kapsel laat veel variatie zien. Ze draagt haar haar los, opgestoken, gepermanent, in staart, in netje, getoupeerd of in een rol boven op het hoofd – geen trend wordt overgeslagen. Eenmaal, in 1950, heeft ze voor de camera een vrolijke bloemetjesblouse aangetrokken, alle andere keren gaat ze in effen stof gekleed, calvinistische mantelpakjes, hoog gesloten kraagjes.

De continuïteit schuilt vooral in haar wat norse, afhoudende gelaatsuitdrukking. Naarmate de tijd verstrijkt wordt haar strenge blik zelfbewuster. Is Mevrouw X mooi of bijzonder? Nee, niet echt, ze leukte zich gelukkig niet op en haalde evenmin de geintjes uit waar je kunstenaars in pasfotohokjes nog wel eens op kon betrappen. Ze doet samensteller Erik Kessels denken aan een aristocrate uit de Renaissance omdat ze zo'n zorgvuldige neutraliteit tentoonspreidt, maar dat is te veel van het goede. Juist haar alledaagsheid maakt die foto tijdloos, alsof ze model stond voor ‘dé 20ste-eeuwse vrouw’, terwijl de renaissancistische elite, want dat was de doelgroep van portrettisten, graag in opvallend, vorstelijk ornaat poseerde.

Naarmate je dit boekje langer bekijkt, stelt het meer vragen. Voor wie maakte mevrouw X die pasfoto’s? Was haar man een kapitein op de grote vaart, die up-to-date wilde blijven als het om het welzijn van zijn vrouw ging? Moest ze zich steeds legitimeren met een recente foto? Liet ze die maken in een bepaalde, memorabele maand? Op haar verjaardag misschien? Was het ijdelheid, ‘the making of oneself’, of wilde ze net als Schjerfbeck in retrospectief aan haar uiterlijk kunnen aflezen welke sporen tijd had nagelaten?

Juist haar anonimiteit scherpt je blik – je wilt van alles traceren, dat niet te traceren valt. De ruimte die het gebrek aan feiten oplevert mag je dan zelf invullen. Dat maakt familiealbums, bedrijfsdocumentaires en gedateerde reisfotografie, die jaren achtereen op markten lagen te verpieteren en nu collector’s items heten, zo aantrekkelijk.

Dat wist de Duitse kunstenaar Hans-Peter Feldmann al veel eerder dan Erik Kessels, toen hij anonieme kiekjes van reislustige dames en dode mannen bundelde. Ook de Hongaar Sándor Kardos wist decennia geleden al de toekomstige waarde van de kiek goed in te schatten. Hij ruilde familiefoto’s, bij voorkeur mislukte exemplaren – de rook van een sigaret die volledig het gezicht van een geportretteerde bedekt – voor eieren en daar lustte men op de poesta wel pap van. Hier was Erik Kessels er blijkbaar al vroeg bij. En daarom kan hij nu fotoboekjes over (on)vergankelijkheid uitgeven.

    • Marianne Vermeijden