Tussen X en Y in het ziekenhuis

In haar nieuwe, essayistische roman onderneemt schrijfster Marlene van Niekerk een zoektocht naar de consequenties van het denken over de dood.

Marlene van Niekerk Foto Vincent Mentzel Marlene van Niekerk(1954) ,auteur.foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C== Amsterdam, 25 mei 2006 Mentzel, Vincent

Marlene van Niekerk: Memorandum. Uit het Afrikaans vertaald door Riet de Jong-Goossens. Querido, 199 blz. € 17,95

De Zuid-Afrikaanse schrijfster Marlene van Niekerk houdt van postmoderne grapjes en van darmproblemen. Is er een verband? Misschien wel, en dat schuilt dan in de notie van het onvolmaakte, een thema dat haar al langer bezig houdt. Waren het in Triomf nog de Zuid-Afrikaanse Tokkies die Van Niekerk een openbaring via het ‘poephol’ liet ondergaan, in Agaat werd de Afrikaner vrouw bijgezet op de mesthoop van de geschiedenis. Beide invalshoeken leverden mooie boeken op waarin persoonlijke relaties en de geschiedenis van het land op een intrigerende manier waren verweven.

Het lijkt alsof Van Niekerk (1954) in haar laatste roman Memorandum onderzoek heeft willen doen naar de uiterste consequenties van dat lichamelijk verval voor de geest van haar personages. En daarbij gebruikt ze postmoderne strategieën, waarbij een verhaal en een wereld slechts in fragmentarische, onvolmaakte vorm worden gepresenteerd.

In dit verhaal is de bijna gepensioneerde gemeenteambtenaar Johannes Frederikus Wiid geopereerd aan zijn dikke darm waarna kanker wordt geconstateerd. In zijn werkzame leven als ‘stadsverfraaier’ heeft hij geprobeerd door middel van rapporten en verslagen de werkelijkheid van zijn leefomgeving te behouden en verfraaien. Nu hij in briefvorm schrijft over zijn verval, wordt duidelijk hoe machteloos zijn pen is.

De chemotherapie is niet aangeslagen en hij staat op het punt om andermaal geopereerd te worden. Liggend op intensive care volgt hij de nachtelijke gesprekken van twee medepatiënten, die X en Y worden genoemd en aan weerszijden van de gemeenteambtenaar liggen. De een met ‘uitgeschraapte ogen’ is architect, de ander met ‘afgezaagde voeten’ is bioloog. Wiid zelf is toehoorder, om zijn mening wordt niet gevraagd. Maar de orakeltaal van de twee over ondermeer vogels, architectuur, filosofen en Griekse klassieken heeft de zieke Wiid dusdanig geboeid dat hij later alles wil vastleggen. Van de orakeltaal maakt hij chocola door na thuiskomst namen en betekenissen op te zoeken in de bibliotheek met hulp van de bijna alwetende bibliothecaris Buytendagh.

Het mag duidelijk zijn: Memorandum is geen soepel verteld verhaal. Voetnoten onderbreken de tekst waarin achtergronden, literatuur en filosofie worden aangehaald, een ‘memorandum 2’ geeft het ziekteproces in tabellen weer en addenda geven meer uitleg. De mannen X en Y blijven bovendien even abstract als hun namen, alsof ze een uitwerking zijn van de taalfilosofie van Michel Foucault, die op zoek gaat naar de consequenties van de grenzen van het leven en denken voor het taalgebruik. Dat wordt volgens hem steeds abstracter en cryptischer naarmate het einde nadert. Alles duidt erop dat X, Y, en Wiid, die zichzelf ook een keer Z noemt, uitwerkingen zijn van het onderbewustzijn van deze gemeenteambtenaar. Iets té letterlijk wellicht, staan de figuren X en Y voor de afgesneden mobiliteit en het verdwijnende gezichtsvermogen. Een strikt talig, tweedimensionaal verhaal dat perspectief wordt gegeven door – het is niet anders – de Z-as. Want dat is de functie die Wiid zichzelf toekent: voor zichzelf de diepte vinden na de orakelen van X en Y.

Wanneer Wiid het verhaal heeft opgeschreven, heeft hij betekenis gegeven aan zijn bestaan en weet ook dat hij ‘uitbehandeld’ is. Hij hervindt, terwijl zijn leven ten einde loopt, zijn identiteit. Of zoals bibliothecaris Buytendagh het zegt: ‘Wij [Afrikaners] beminnen in ons collectieve geestesoog liever een hemel vol Pieterneef-bomen en kerktorens van siersteen dan de verantwoordelijkheid te nemen voor het voorkomen van onze directe omgeving’. Maar tegelijkertijd is deze Buytendagh een zeer slonzig figuur en lijkt hij ook te staan voor de idealist binnen een falende regenboognatie. Maar daarmee kom je op een politieke interpretatie, die volgens deze zelfde Buytendagh een teken des tijds is, ‘zelfs klassieken worden gelezen als politieke propaganda’.

Het is kortom onduidelijk wat je leest: een ziektegeschiedenis, een persoonlijke zoektocht, de aftakeling van mens en geschiedenis die gesymboliseerd wordt in de vervallen bibliotheek en de slonzige bibliothecaris met vlasbaardje en paardenstaart tegenover de geordende maar niet- wetende Wiid? Het verhaal intrigeert, maar het blijft te veel op afstand.

Dat laatste komt wellicht ook door het verschil met de Zuid-Afrikaanse versie. Marlene van Niekerk heeft Memorandum geschreven als tekst rondom een verzameling schilderijen die in de Afrikaanse editie zijn afgebeeld en die dwars door het verhaal staan. In de Nederlandse vertaling ontbreken deze ziekenhuisschilderijen van Adriaan van Zyl. En die afbeeldingen zijn meer dan plaatjes bij praatjes, want Memorandum is opgebouwd in verschillende lagen: de lange brief van Wiid, zijn voetnoten en zijn medische status. En dan is er dus de laag van de grafische weergave van zijn omgeving: een verzameling opvallend warme stillevens van ziekenhuisbedden, operatiekamers en uitzichten vanuit het ziekenhuis. Mensen ontbreken op de afbeeldingen, de geest moet uit de tekst komen.

De schilderijen geven aan Memorandum een laag die in de beeldloze tekst node wordt gemist: warmte, emotie, herkenbaarheid. Zonder de beelden laat deze roman zich vooral lezen als een verzameling uitgebeende overwegingen met een sterk essayistisch karakter: een zoektocht naar de consequenties van denken over de dood, over persoonlijke beperkingen en de kracht van tekst en verbeelding.

    • Toef Jaeger