Rembrandt met duivenstront

De Belgische kunstenaar Jan Fabre confronteert Rubens en Rembrandt in het Louvre met wormen en duiven. „Ik ben niet zo’n hedendaagse kunstenaar.”

Jan Fabre in het Louvre foto Jean Pierre Stoop Stoop, Jean Pierre

‘Wat te doen na het Louvre? Sterven, zeker. Deze ochtend heb ik tot zeven uur in mijn hotelkamer voor mijn volgende projecten schetsen gemaakt. Er spoelt hier in Parijs een oceaan tegen me aan, maar tekenen ontspant me. Een soort drug.”

De Belgische kunstenaar en theatermaker Jan Fabre is uitgenodigd door het Louvre om te exposeren. Zijn werk moet de de schilderijen in de afdeling Vlaamse, Hollandse en Duitse meester in een nieuw licht stellen. Vermeer, Rembrandt, Van Eyck, Bosch, Rubens en andere klassieke meesters laat Fabre botsen met een reusachtige worm, met duiven en duivenpoep.

Achtendertig dagen voor de opening stapt de kunstenaar driftig door de hallucinante Rubenszaal – hier hangen de 24 doeken die Rubens aan het leven van Maria de Medici wijdde. Méér dan twintig Vlaamse medewerkers van Fabre leggen op de vloer de laatste reepjes gras onder de veertig ton wegende gitzwarte grafzerken van zijn Zelfportret als grootste worm van de wereld.

De meterslange worm, in afstotelijke mensenhuid en met de kop van Fabre als hij 88 is, kronkelt over de zerken. In de stenen staan insectennamen gebeiteld, en de geboortedatum én de eventuele sterfdatum van door Fabre bewonderde kunstenaars en filosofen. De worm kan spreken. Hij kreunt met een diepe stem: „Ik wil mijn kop uit de strop van de geschiedenis trekken.”

Fabres jonge assistent Björn Geldhof vat de confrontatie tussen Rubens en Fabre samen: „Rubens schilderde de bovenwereld, Jan creëert de onderwereld.”

Het sprak niet vanzelf dat de zware stenen op de houten vloer van het Louvre gedeponeerd mochten worden. Fabre: „Of de vloer van de Rubenszaal het aankan, is tot in de puntjes door het studiebureau van het Louvre berekend. Ze maakten plannen en alles moest door talrijke directeuren en departementen goedgekeurd worden. Bij het Louvre zijn dat er heel veel.”

Twee medewerkers laten een grafsteen uit hun handen glijden. Björn Geldhof rept zich naar het ongeval en schiet uit zijn slof: „Zo gaat dat niet mannekes!” De werkmannen kijken beteuterd en schuiven met fluwelen handen namaakgras onder een andere steen.

Jan Fabre bekijkt aandachti g zijn Zelfportret als grootste worm van de wereld. „De kleuren van Rubens zijn bovenwerelds, warm en goddelijk. Mijn werk is koud en hard. Ik sta totaal anders tegenover macht. Rubens’ medestanders zijn de goden en de koninginnen. Die van mij zijn insecten die verwijzen naar kunstenaars.” Voor zichzelf heeft hij de mestkever gereserveerd.

Ook aan het begin van de

tentoonstelling heeft hij zichzelf afgebeeld. Als dwerg met een bloedende neus, opnieuw met zijn gezicht als tachtigjarige. „Bij de start wil ik al aangeven dat ik van de meesterwerken in het Louvre erg onderdanig word. Ik ben een dwerg die zich stoot aan hun talent.”

Waarom koos het Louvre in de serie Contrepoint dit keer voor Fabre? Louvre-curator Marie-Laure Bernadac: „Fabre maakt er geen geheim van dat hij inspiratie haalt bij de oude Vlaamse en Nederlandse meesters. Dat was de reden. Er is een symbiose ontstaan tussen zijn manier van werken en de klassieke meesters, daar het vaak over dezelfde onderwerpen gaat: godsdienst, het leven, de dood, ons eigen lichaam en offers. Door Fabre zoveel ruimte te geven, hoop ik een nieuwe traditie op te bouwen.”

Jan Fabre doet in de eerste plaats denken aan Jeroen Bosch. Ook een provocateur pur sang. Maar Bernadac pepert ons in: „Jan is niet zozeer een brokkenmaker. Kunst kan ook gevoelens provoceren. Bosch en Fabre geven zich helemaal voor hun kunst, ze overschrijden daarbij de grenzen tussen mensen, materialen, ze gaan over de limieten van het lichaam heen. In die zin is zijn werk wel provocerend.”

Fabre glimlacht als we haar woorden resumeren: „Ze mag me wel, hè? Ik word voortdurend met mijn neus op de feiten gedrukt: ik hèb wortels in die traditie. Wat betreft mijn thematiek en afwerking klopt wat zij zegt ongetwijfeld. Wat je hier ziet is heel anti-modernistisch en anti-contemporain. Dat is altijd mijn parcours geweest. Ik ben niet zo’n hedendaagse kunstenaar. Mijn werk toon je niet via de kunstboekjes. Ik sluit meer aan bij het Louvre dan bij de glossy contemporary arts.”

Fabre wil van het etiket ‘provocateur’ per se af. „Nooit, maar dan ook nooit heb ik de bedoeling om de goegemeente voor het hoofd te stoten. Maar wat voor mij heel normaal is, is voor anderen wellicht aanstootgevend.” Als directeur van het theaterfestival in Avignon veroorzaakte hij enkele jaren geleden veel opschudding. Ook daarom verwacht hij kritiek: „Ik kan genadeloos op mijn bek gaan. Ja, ik ben bang van de Franse pers: waarom een Belg, waarom die oproerkraaier uit Avignon? Er zijn genoeg redenen om me te lynchen. Ik ben een kleine Belg en geen kleine Napoleon.”

Voor het Louvre maakt Fabre

vijf nieuwe installaties. In een immense witte trappenhal zette hij een zeventigtal duiven die volop de kraakheldere wanden besmeuren. De toepasselijke titel is: Kakkende ratten van de lucht en vredesduiven. Fabre: „Niet voor niks laat ik de stront van de muren lopen. Een invasie van straatduiven in het klassieke boegbeeld van de kunst leek me aantrekkelijk.” En met een verwijzing naar de inrichtingsproblemen: „Om een tentoonstelling te bouwen in het Louvre moet je ook enkele vredesduiven laten neerstrijken. Anders krijg je niks verwezenlijkt.” Toch zal van overlast geen sprake zijn: „De beeldjes zijn van geblazen kristal uit Murano. Zelfs de duivenstront!”

De zalen waar Fabre werkt zijn hermetisch afgesloten. Toch slaagt een Japanse erin om binnen te sluipen. Een suppoost voert haar met zachte hand naar de uitgang. „Fabré?” vraagt ze nog. „In welke eeuw leefde hij?” Fabre moet hartelijk lachen om de anekdote: „Mijn eerste bezoekster en al zo’n compliment. Prachtig!”

Maar Japanse bezoekers vormen nou juist niet de doelgroep van Marie-Laure Bernadac met de tentoonstelling van Fabre: „Onze grootste vijand: de miljoenen bezoekers die allemaal de Mona Lisa willen zien. De hedendaagse kunstenaars moeten de bezoekers naar minder bezochte ruimtes lokken. Hiermee geven we het Louvre ook terug aan de Parisiens. Zij komen het Louvre niet meer in.”

Wat is de belangrijkste gedachte achter de tentoonstelling? „Die wordt weergegeven in de titel: L’Ange de la métamorphose. De kunstenaar is de engel van álle metamorfoses. Het is de bedoeling dat Fabre de werken in deze vleugel nieuw leven inblaast, oppoetst en zuurstof geeft.”

Naast een imposante kruisafneming hangt een tekening in bloed waarin Fabre zichzelf ophangt. „Soms voel je je als kunstenaar door de kop geschoten worden, aan een boom opgehangen, je wordt geofferd en dan hang je daar. De maatschappij heeft soms een zondebok nodig en dan pikken ze er een. Een beetje zoals in Avignon.”

Opvallend is dat de ingrepen van Fabre je blik naar kleine meesterwerken leidt. Dat was ook de bedoeling. Fabre: „Hier hangt een klein werkje van de Nederlander Slingerland. Fantastisch! Hij schilderde een rijke familie met een papegaai. Prachtige details, metaforen en symbolen. Ik ben er zeker van dat heel veel mensen die schilder gaan ontdekken.”

Fabre is gewoon om tot de nacht voor de opening aan zijn tentoonstellingen te sleutelen. Dat was nu onmogelijk. De wetten van het Louvre laten dat niet toe.

Barbara De Coninck, rechterhand van Fabre: „De expositie was zes maanden geleden tot in de puntjes geregeld. Jan werkt gewoonlijk erg intuïtief, maar hier heeft hij vooral op zijn hersens moeten vertrouwen. Jan zou Jan niet zijn, mocht hij niet geprobeerd hebben om de regeltjes te doorbreken. Het tweede werk van de tentoonstelling, De Spijkerman, is opgetrokken uit punaises. Normaliter zijn de onderbenen omzwachteld met echte ham. Onmogelijk in het Louvre. Daar moesten we ons bij neerleggen.”

Wat ook niet mag: een raam

openzetten. De Coninck: „Verboden! Toch moesten er in de wanden gaten geboord worden. De conservatoren kregen een hartaanval. Ze hadden alles verwacht maar niet dat we zouden gaan boren. Jan is in feite een houtworm in het Louvre.”

Een werkman van de Fabre-entourage zucht dat ze eindelijk minder op de vingers worden gekeken: „De eerste dagen stond het hier vol. Elke handeling werd met argusogen bekeken.”

De lange aanloop naar het evenement ervaart Fabre als een voordeel: „Wij wisten alles over de schilderijen die hier te bewonderen zijn. De curatoren raakten er van overtuigd dat we in die werken meer dan een interessant decor wilden zien. Van elke zaal hebben we verschillende maquettes gemaakt. Die werden dan elke keer beoordeeld. Zo is in vier jaar tijd de tentoonstelling ontstaan.”

Björn Geldhof, Barbara De Coninck en de kunstenaar zelf beseffen dat ze in een rijke omgeving zijn beland. Sponsors schoven aan, Vlaamse medewerkers kregen elk een vast contract van het Louvre, aan de kantelen van het Louvre worden banieren met een werk van Fabre opengerold, in de Parijse metro prijkt reclame en Fabre logeert in een vijfsterrenhotel. Fabre: „De laatste jaren ben ik in de positie terecht gekomen dat ik dingen kan realiseren die ik vroeger alleen op papier kon tekenen. In die worm zit ontzettend veel mechanica. Dat kan ik zelf niet realiseren en dat kon ik vroeger niet betalen. Dat betaalt het Louvre en dus kan ik nieuwe stappen zetten.”

Jan Fabre betreurt diep dat zijn ouders dit niet kunnen meemaken. ‘Op twee jaar tijd heb ik zowel mijn moeder als mijn vader verloren. Geweldige mensen! Je kan me een begin van dementie verwijten maar ik stel vast dat ik tegen de foto’s van hen op mijn schoorsteenmantel praat telkens ik thuiskom. ‘Dag ma, dag pa. Het was een goede dag in het Louvre’.

Jan Fabre au Louvre: L’ange de la métamorphose. Van 11 april t/m 7 julie 2008. Louvre, Parijs.