Poaskearls lopen straks een rondje om het vuur

Klaar met eieren eten? Op naar het oosten waar de paasvuren branden.

En nee, dat heeft niks met de oude Germanen te maken.

Bij de VVV in het Twentse Ootmarsum staat de telefoon al dagen roodgloeiend. Het is elk jaar tegen Pasen hetzelfde liedje, zegt Janke Meulenbeld, manager van de VVV. „De bellers willen allemaal weten hoe laat het paasvuur begint en waar ze moeten zijn voor het traditionele vlöggeln.” Aanstaande zondag, Eerste Paasdag, stromen naar verwachting weer duizenden mensen samen om naar het vuur in Ootmarsum te kijken. „De omstanders zingen paasliederen en er worden oude tradities uitgevoerd die voor buitenstaanders interessant zijn.” Zo lopende Poaskearls, de vrijgezelle katholieke mannen uit het dorp, een rondje om het vuur en mag de oudste van hen het vuur aansteken.

Maar wat vieren de vuurstokers nou eigenlijk? Vraag het een willekeurige omstander en het antwoord zal zijn dat het hier om een heidens gebruik gaat, een ritueel van de oude Germanen die hiermee de kwade geesten verdreven.

Klinkklare nonsens, zegt bijzonder hoogleraar in de Nederlandse etnologie en onderzoeker van het Meertens Instituut Gerard Rooijakkers. „Wetenschappers hebben allang afstand genomen van die Germaanse mythe. De eerste bronnen over paasvuren stammen uit de zestiende en zeventiende eeuw; ver na de Germanen, die zich vanaf het jaar 1000 voor Christus over Europa verspreidden.”

De échte herkomst van de paasvuren heeft veel meer te maken met de zogenaamde kalendervuren, waarmee op het platteland de komst van het nieuwe seizoen werd gevierd.

De vuren markeren van oudsher de overgang naar een nieuw seizoen, zegt Ineke Strouken, directeur van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur. „Voor Pasen moest de grote schoonmaak klaar zijn en het land opgeruimd. Dus hup, de winterkleren naar zolder en de zomerkleren in de kast. De lange, moeilijke winter was eindelijk afgelopen. De jongeren uit de dorpen wilden naar buiten om met alle rommel en het snoeihout een zo groot mogelijke bult te maken. Liefst groter dan in de andere dorpen. Het nieuwe seizoen begint, na die lange, moeilijke winter kondigt Pasen een nieuwe tijd aan. Dat moest gevierd worden.”

Dat de Germaanse mythe onuitroeibaar is, verklaart onderzoeker Rooijakkers door te wijzen op de huidige hang naar tradities. „We hebben een grote behoefte aan erfgoed en willen ons hechten aan tijd en ruimte. We vinden het heerlijk om in onze moderne wereld nog echt oude dingen te doen. Door te stellen dat het paasvuur zo oud is als de oude Germanen verbind je het met het hele verre verleden. Dat geeft extra status en legitimatie.” The invention of tradition, noemt Rooijakkers dat fenomeen. En dat die tradities eigenlijk niet zo heel oud zijn, willen we liever niet horen.

„Het is de behoefte aan jus in ons leven”, stelt Ineke Strouken. „De wereld wordt groter en daarmee wordt de eigen identiteit belangrijker. Tradities geven houvast en identiteit, je onderscheid je van de ander.” Die behoefte is nu groter dan ooit. Rooijakkers: „Er hebben nog nooit zoveel tradities bestaan als tegenwoordig. Het nieuwe is dat de tradities en de rituelen niet meer zijn voorbehouden aan de deelnemers zelf. Er zijn toeschouwers bijgekomen. En de dorpsbewoners die het ritueel uitvoeren, zijn zo vereerd met die belangstelling dat ze er elk jaar een groter spektakel van maken. De paasvuren zijn de afgelopen jaren steeds groter en mooier geworden en trekken jaar op jaar meer toeristen. Het is folklore geworden.”

Wat valt er nu eigenlijk te beleven voor buitenstaanders, behalve een grote fik? „Vuur heeft natuurlijk sowieso iets”, zegt Strouken enthousiast. „De sfeer, de warmte. En bij sommige vuren worden echt bijzondere rituelen uitgevoerd, zoals de Poaskearls in Ootmarsum en de lampionnenoptochten in de Achterhoek. Er wordt gezongen, gedronken en gedanst. Goed, je kunt ook naar de meubelboulevard, maar een paasbult is veel leuker en kost veel minder geld.”

    • Patricia Veldhuis