Ongeschikt, heel in het algemeen

In weerwil van de titel is P.F. Thomése in zijn essaybundel ‘Nergensman’ overal aanwezig. En voor een misplaatste man is de toon van de schrijver opmerkelijk vief en alert.

P.F. Thomése Foto Hollandse Hoogte Nederland, 19-09-2005 Frans Thomese Foto: Friso Keuris/Hollandse Hoogte Hollandse Hoogte

P.F. Thomése: Nergensman. Autobiografieën. Contact, 174 blz. € 19,95

Wie veel reist, heeft weinig te vertellen, volgens P.F. Thomése. De reiziger is in zijn ogen maar een figurant. De indrukken en ervaringen die hij opdoet zijn niet meer dan losse flodders. Geen samenhang, geen verhaal. Liever dróómt hij van een stad als Parijs dan er wekenlang in rond te moeten lopen en kijken. Het enige voordeel van zo’n verblijf is dat hij zich kan verheugen op de terugreis.

Toch is het juist een reisverslag dat tot de hilarische hoogtepunten behoort van Nergensman, een bundeling van essayistische ‘autobiografieën’: journalistieke en meer literaire beschouwingen, door de jaren heen gepubliceerd in verschillende bladen en tijdschriften. In ‘Op fjordentocht met Korea Ko’ beschrijft hij een autorit langs de Noorse kust, in het kader van een literatuurfestival. Achterin de auto zit een wagenzieke Thomése, overgeleverd aan het woeste rijgedrag van een Noorse chauffeuse op leeftijd. Naast haar zit Ko Un, ofwel ‘Korea Ko’, een potentiële Nobelprijswinnaar, die vlijtig aantekeningen zit te maken voor zijn zoveelste boek. Thomése heeft het boze vermoeden dat hij in dat boek voor gaat komen, omdat elke ervaring nu eenmaal zal tellen voor de Koreaanse veelschrijver. ‘Wie weet’, peinst hij, ‘wat voor boeddhistische ongein hij mij in de mond ging leggen.’ Ko heeft het, kortom, al bij voorbaat verbruid bij zijn wantrouwige Nederlandse collega. ‘De meester had de pen [...] even neergelegd’, heet het dan, ‘en zat nu met de handen gevouwen, naar het scheen in meditatie verzonken. Zocht hij in de verte een vast punt? Dat zou hem niet meevallen; de Noorse oude taaie sneed de bochten strak aan, de Toyota knarste in zijn voegen, terwijl in de zijraampjes het ene natuurwonder na het andere ongezien wegkantelde.’

Thomése legt zich er in zijn ironische beschrijving van de fjordentocht op toe om ‘dit ongelofelijk indrukwekkende natuurgeweld’ zoveel mogelijk aan het oog van de lezer te onttrekken.

Onzichtbaar. Ongezien. Afwezig. Onbereikbaar. Een nergensman in niemandsland. Dat zijn de woorden die steeds weer opduiken in dit boek. Als kind al, zo wil Thomése ons doen geloven, in verschillende ‘biootjes’, hoorde hij er nooit helemaal bij. Hij werd zelfs ‘ongeschikt’ bevonden, heel in het algemeen. De jonge Frans grasduinde voortdurend in atlassen, natuurboeken en andere naslagwerken. Hij zag pas iets als het een naam had gekregen. Zo leidde hij al jong een afgeleid, indirect bestaan, steeds via de omweg van het geschreven woord, dat vroeger of later wel naar de literatuur moest voeren: ‘mijn bestemming’, zoals hij het in een van de stukken noemt. Het is duidelijk geen tragisch besef om enigszins bezijden de wereld te leven. Thoméses toon is verre van neerslachtig, juist nogal vief en alert. Verwonderd stelt hij vast dat ‘de grammatica’ niet altijd een juist beeld geeft van de werkelijkheid. ‘Als ik mij hoor spreken, dan klink ik als een man uit één stuk.’ Maar hij weet wel beter. Ik en mij vallen lang niet altijd samen, hoe gemakkelijk die schijn ook wordt gewekt.

Maar wie is Thomése dan wel? Kunnen we hem beter leren kennen uit deze zelfverklaarde autobiografieën? Ik denk het wel. Voor iemand die geen man uit één stuk beweert te zijn en die meent dat ‘de waarlijke geest’ moet ‘grabbelen’ naar zijn woorden, is hij opmerkelijk welbespraakt en gearticuleerd. Veel meer dan tragiek of hulpeloosheid klinkt hier ergernis door over de gang van zaken in het leven. Hier is een knorrige en weerbarstige essayist aan het woord, die moppert over voorbestemde levens, conformistische burgers, de weerzinwekkende literatuurlessen op school, het grote publiek, de tweederangsheid die de literatuur zou zijn binnengeslopen en het ‘format’ dat een boek tegenwoordig zou moeten hebben om als bestseller binnen te kunnen lopen. Zelf sloeg hij met zijn losjes geformuleerde politieke roman Vladiwostok! (2007) duidelijk ook een hengel uit naar dat grote publiek.

Hij sympathiseert met schrijvers als Wessel te Gussinklo die niet slijpt aan zijn zinnen, maar ze ‘voortschopt als onwillige honden’. Handenwrijvend ziet hij toe hoe de ‘onwelriekende’ dichter Hans R. Vlek van tijd tot tijd de openbare ruimte op stelten zet met zijn onaangepaste aanwezigheid. Hij heeft diep ontzag voor De Toverberg van Thomas Mann waarin de vrijheid wordt genomen ‘om het niet precies te weten’. Thomése zelf geeft weinig blijk iets niet precies te weten. Zijn zinnen zien er juist niet uit alsof ze zijn geranseld met een hondenzweep. En ook denk ik dat zijn verschijning geen aanstoot zal geven. Zijn poging om leven en literatuur te scheiden doet soms wat geforceerd aan.

Dat de schrijver zichzelf in het laatste stuk in een omgevallen boekenkast laat verdwijnen, lijkt mij dan ook vooral als grap bedoeld. Thomése heeft het niet nodig om in andermans boeken op te gaan. In Nergensman is hij, in weerwil van de titel, volop aanwezig. Hij is heer en meester over zijn eigen, altijd helder en elegant geformuleerde gedachten en uiteenzettingen en hij zit nooit om een mooi verhaal verlegen, of hij nu thuis is of elders.