Met een zak tanden naar Berlijn

Zestig uitgeverijen wezen Edgar Hilsenraths roman ‘De nazi en de kapper’ af. Daarin wordt een massamoordenaar slachtoffer, en vice versa. Een boek vol venijn.

Zonder titel, een schilderij van Meir Pichhadze uit 1996 Uit ‘Die Neuen Hebräer. 100 Jahre Kunst in Israel’, Nicolai, 2005

Edgar Hilsenrath: De nazi en de kapper.Vertaald uit het Duits door Annemarie Vlaming. Anthos, 394 blz. €22,95

Een groteske satire van een nazi die besluit joods te worden, een hoofdpersoon die na een stiekeme besnijdenis vertrekt naar Israël waar hij zich moeiteloos omvormt tot strijdbaar zionist. Vele verwijzingen naar Jezus én Hitler. En dan nog macabere seksscènes, absurdistisch geweld en zwarte humor. Veel Nederlandse lezers die nog nooit hebben gehoord van Edgar Hilsenraths Der Nazi und der Friseur, nu in vertaling verschenen als De nazi en de kapper, zullen zich toch betrappen op een gevoel van herkenning: Hilsenraths meesterwerk uit 1971 vertoont vele overeenkomsten met Arnon Grunbergs De joodse messias. Maar Grunbergs variatie op het thema verbleekt bij de brute kracht van het origineel.

Na verschijning op de Engelstalige markt, duurde het zes jaar voordat het Hilsenrath lukte om een Duitse uitgever te vinden. Meer dan zestig uitgevers hadden het al geweigerd, terwijl het in de VS lovend was ontvangen. Pas in 1977 verscheen de originele Duitstalige versie. Toen waren erwereldwijd al ruim een miljoen exemplaren verkocht.

Dat in 2004 De joodse messias als een taboedoorbrekend boek werd onthaald, geeft wel aan dat het minstens zo radicale De nazi en de kapper ook nu nog als een uiterst controversiële roman gelezen kan worden. Het is gek, dat met het wegvallen van veel van de taboes omtrent WO II deze kluchtige satire nog schokkend en ontluisterend werkt. Deze kracht zit in Hilsenraths boek zelf; de ethische discussies over de Holocaust hebben er geen vat op.

Dat wil niet zeggen dat De nazi en de kapper zich daarvan afzijdig houdt. Hilsenrath roept juist morele en existentiële vragen op, door er schijnbaar de spot mee te drijven. Vol naïef enthousiasme stort de held, massamoordenaar Max Schultz, zich afwisselend in de rol van dader en slachtoffer. Die identiteitsverwarring voert Hilsenrath zo ver mogelijk door, met sadistisch genoegen. De grenzen van het geloofwaardige zijn al aan het begin van de roman lang en breed overschreden als baby Max wordt verkracht door zijn stiefvader, die zo’n lange penis heeft dat Max’ moeder droogjes observeert dat daar wel een ‘mankement in de bovenkamer’ het gevolg van zal zijn. Het is één van de smoezen waarmee Schultz zijn latere misdaden zal rechtvaardigen.

In zijn jeugd sluit Max vriendschap met zijn joodse buurjongen Itzik Finkelstein. Die ziet er als het prototype Germaan, met zijn blonde haar, blauwe ogen en rechte neus, terwijl Schultz zwart haar heeft, ‘kikkerogen, een haakneus, dikke lippen en slechte tanden’. Toch is hij echt van zuiver Arisch bloed, verzekert hij ons steeds. Hij gaat evenwel graag met Itzik mee naar de synagoge, leert Jiddisch en wordt kappersleerling bij Itziks vader, die de succesvolle kapsalon Heer van de Wereld runt.

Bergrede

Maar als Hitler aan de macht komt raakt Max in de ban van diens messianistische boodschap. Hij bezoekt een redevoering van de ‘Zoon van de Voorzienigheid’, gehouden op de Ölberg, een verwijzing naar de Bergrede van Jezus. Hilsenrath maakt van deze scène een briljante en verontrustende parodie op de quasi-religieuze retoriek van het nazisme. Hij legt Hitler absurde variaties van Jezus-citaten in de mond, en maakt ook duidelijk dat hier een grote aantrekkingskracht in school. ‘Want er bestaat een andere ontevredenheid, en die kan het communisme niet genezen.’

Het duurt dan ook niet lang voordat Max Schultz samen met zijn stiefvader de ramen van Finkelsteins kapsalon ingooit. Hij heeft het tot de SS geschopt en gaat op missie in Zuid-Rusland en Polen, waar hij naar eigen schatting zo’n 10.000 joden vermoordt. Onder hen zijn oude buurjongen en vriend Itzik. De lezer weet dan al dat Schultz de identiteit van zijn jeugdvriend zal overnemen. Al meteen stelde de verteller zich voor als ‘ik, Itzik Finkelstein, toen nog Max Schultz’, toekomstig jood en ‘toekomstig massamoordenaar’.

Hilsenrath besteedt opmerkelijk weinig woorden aan de voorvallen tijdens de Holocaust en ook hierin toont hij zijn meesterschap. De roman concentreert zich op de periode daarna, als Max met een zak vol gouden tanden naar Berlijn trekt. Eerst beleeft hij nog een surreëel verblijf in een Pools bos bij een oude heks die hem met toverdrank en geweld dwingt de liefde met haar te bedrijven, en daarna een even onsmakelijke erotische escapade met de eenbenige oorlogsweduwe Holle. In Berlijn laat hij een Auschwitz-tatoeage zetten en traint hij zijn nieuwe joodse identiteit, onder meer door felle disputen te voeren met een nieuwe minnares, de antisemitische gravin Von Hohenhausen.

Verontrustend

In de tweede helft van de roman wordt De nazi en de kapper pas echt verontrustend, en hilarisch. De identiteitsverwarring tussen Max en Itzik, tussen dader en slachtoffer, wordt op de spits gedreven als de hoofdpersoon, die beide namen inmiddels door elkaar heen gebruikt, zich in Israël vestigt. Daar begint hij zijn eigen kapsalon en brengt een revolutionair haargroeimiddel op de markt, de Samson V-2. Met hetzelfde gemak waarmee hij SS’er werd, sluit hij zich nu aan bij de zionistische guerrillabeweging. Tijdens het knippen en scheren houdt hij bezielde redevoeringen over de joodse geschiedenis en de toekomst van Israël en als hij onderwijl in de kapperspiegel kijkt, ziet hij ‘twee reusachtige kikkerogen, lok en snorretje’. Zijn eigen stem bedwelmt hem nu, precies zoals hij jaren daarvoor op de Ölberg bedwelmd werd.

Hilsenrath plaatst het slachtoffer-dader dilemma nu binnen de historische context van de stichting van Israël, en dat doet hij met hetzelfde zwartgallige venijn als in het eerste deel van de roman. Hiermee lijkt de schrijver wel heel boude kritiek te leveren op de joodse staat: de zionistische oorlogen mogen wat hem betreft vergeleken worden met Duitse oorlogsmisdaden.

Toch is De nazi en de kapper geen relativerende of zelfs nihilistische Holocaustroman, die slechts een grimmig mensbeeld heeft te bieden of de gevolgtrekking dat het ‘onbegrijpelijke niet begrepen kan worden’. Zelfs met die gedachte neemt Hilsenrath namelijk een loopje. In de slotscène biecht Max Schultz zijn verleden op aan een gepensioneerde rechter, en eist een oordeel van hem, één dat genoegdoening bij de slachtoffers teweeg zal brengen. Zelfs de meest drastische fictieve straf blijkt niet te volstaan, de dodelijke vermoeide rechter spreekt hem vrij, en daar heeft Max geen enkel probleem mee.

Pedant genoeg wenst hij, als hij aan het eind van zijn leven een hartaanval krijgt, alleen het hart van een jood te accepteren. Hij wordt op zijn wenken bedient: hij krijgt het hart van een rabbi geïmplanteerd. Dat redt zijn leven niet, net zo min als dezelfde doodsangst die zijn slachtoffers ooit voelden, hem verlossing van schuld kan bieden.

Er is één plek waar Max Schultz niet aan zijn lot ontsnappen kan: het ‘bos van de zes miljoen’. De geur van het bos stijgt hem naar de keel. Het ruikt er naar kruit en natte broeken, naar gas, gebedsrollen en angst, en ‘een beetje naar God.’ De weerzin die deze plek bij Max opwekt verandert in aantrekkingskracht.

Aan het eind van zijn kolkende, onthutsende en vooral uiterst vermakelijke meesterwerk heeft Hilsenrath de lezer ver voorbij het besef van de banaliteit en absurditeit van het kwaad gevoerd. Maar bij De nazi en de kapper leidt dat niet tot een verlammend gevoel van pessimisme. Ook al blijft Hilsenrath daarin heel cryptisch, achter alle pikzwarte humor schuilt een onbenoemde hoop, die tussen de regels door komt bovendrijven, bijvoorbeeld in de suggestie dat een harttransplantatie een grotere straf is dan welke vorm van vergelding dan ook. Op het moment van sterven laat Max Schultz zich meevoeren naar het ‘bos van de zes miljoen’, waar hij rust en onrust vindt, verlossing en straf.