Kamerlid kan ook niet toveren

Parlementsleden hebben vaak maar één medewerker die hen helpt alle dossiers door te werken. Zo kunnen ze de overheid nooit goed controleren, vindt Guido Enthoven.

In de jaren zeventig, de tijd dat Kamervoorzitter Vondeling zich afvroeg of de Tweede Kamer ‘lam of leeuw’ was, zong Boudewijn de Groot:

Hoe sterk is de eenzame fietser,

die kromgebogen,

over zijn stuur,

tegen de wind,

zichzelf een weg baant.’

Dat beeld van die ‘eenzame fietser’ komt al snel terug als je kijkt naar de positie van een Kamerlid. Dat moet in zijn eentje - de Kamer als optelsom van 150 eenmanszaken – dossiers doorwerken, de regering controleren en ook nog in de media zichtbaar zijn voor herverkiezing.

Het werk van een Kamerlid bestaat voor een belangrijk deel uit het omgaan met informatie. Dat begint met het verzamelen en selecteren van informatie uit verschillende bronnen, vervolgens het verwerken en duiden van informatie (zelfstandig of in gesprekken), gevolgd door het produceren van informatie (bijdragen in Kamerdebatten, uitspraken in media, interviews, speeches).

In een kennissamenleving is capaciteit voor het verzamelen en verwerken van informatie een doorslaggevende factor. Maar de verschillen op dit punt tussen regering (uitvoerende macht) en parlement (wetgevende macht) zijn buiten alle proporties.

Enkele feiten en cijfers:

Op macro niveau: er zijn naar schatting enkele tienduizenden beleidsambtenaren en kenniswerkers werkzaam bij het rijk en ZBO’s (de zelfstandige bestuursorganen), versus ongeveer zestien (zestien!) inhoudelijke kenniswerkers in de Tweede Kamer (exclusief procedurele ondersteuning).

Op microniveau geldt een soortgelijk beeld: een volksvertegenwoordiger heeft ongeveer één persoonlijk medewerker (bescheiden salaris, vaak jong), terwijl een gemiddeld afdelingshoofd op een departement al snel vijftien ervaren mensen ter beschikking heeft.

Hoe komt dat? Beschouwen wij Kamerleden als superieure informatieverwerkers die nauwelijks ondersteuning nodig hebben? Of vinden we hun werk op het gebied van medewetgeving, controle en volksvertegenwoordiging eigenlijk niet zo belangrijk?

In het verleden is wel een verklaring te vinden voor de verschillen in capaciteit in termen van ondersteuning van de regering en de Kamer. In de verzuilde en geïdeologiseerde samenleving van de jaren vijftig van de vorige eeuw had een Kamerlid weinig ondersteuning nodig. Er was relatief weinig informatie en een Kamerlid kon blindvaren op zijn eigen ideologische ankers.

Maar in de informatiesamenleving aan het begin van de 21ste eeuw is kennis noodzakelijk om effectief te opereren. Die kennis is tegenwoordig overal, in duizenden beleidstukken en in artikelen op miljoenen websites. Dus heb je professionele mensen nodig om kennis te verwerken, zowel in de uitvoerende als in de wetgevende macht.

Met een betrekkelijk kleine verschuiving van budgetten van departementen naar de volksvertegenwoordiging (zeg vijftig miljoen euro) kan de inhoudelijke ondersteuning van de Kamer vervijfvoudigen. Dat zijn vijfhonderd extra medewerkers: drie per Kamerlid, plus vijftig medewerkers kennisfunctie Kamer, bij de Griffie en het Bureau Onderzoek en Rijksuitgaven.

Met een verschuiving van een half promille van de rijksbegroting kan de volksvertegenwoordigende en controlerende rol in het openbaar bestuur enigszins serieus gestalte krijgen.

Een dergelijke investering in de kennisfunctie van het parlement gaat waarschijnlijk in tegen de ‘vox populi’, en je kunt zure krantenkoppen verwachten als ‘Koopkracht daalt, Kamer pakt uit’. Maar zonder een kennisimpuls wordt het niets met het versterken van de representatieve democratie. Indien deze ruimte niet gemaakt kan worden, zullen alle voornemens van het ministerie van BZK over het versterken van de representatieve democratie, naïeve wensdromen of lege beloften blijven. Dan moeten er ook de komende jaren niet langer krokodillentranen gehuild worden over de kloof tussen politiek en burger (gebrekkige volksvertegenwoordiging) of een tekortschietende controle van de Kamer. Voor beide functies heb je mensen nodig.

De volksvertegenwoordiging kan, indien ze over meer kennis, ideeën en overwegingen beschikt, tot betere besluiten komen. Met meer geld en tijd kan ze de burgers die ze vertegenwoordigt, beter consulteren. Ze krijgt meer capaciteit om te leren van het verleden en de regering beter te controleren. Met een kennisimpuls ontstaan nieuwe mogelijkheden voor politieke en democratische vernieuwing. De vraag lijkt misschien niet eens zozeer óf dit gaat gebeuren; het heeft een zekere intuïtieve plausibiliteit. Het lijkt ook een logische stap in de parlementaire geschiedenis, mede lering trekkend uit de ontwikkelingen op dit terrein in andere landen. De vraag is veeleer wanneer het gaat gebeuren? Duurt het nog tot 2011, of tot 2017? Of wordt nog dit jaar een stap in de goede richting gezet?

Terug naar het begin. De eenzame fietser is sterk. Het zijn niet de minsten die geroepen worden tot het ambt van volksvertegenwoordiger. Ze hebben een bovengemiddeld talent, beschikken over overtuigingskracht en doorzettingsvermogen en hebben beelden over hoe de samenleving eruit moet zien. Kamerleden kunnen beter en sneller informatie verwerken dan de meeste mensen die ze vertegenwoordigen. Maar het is een zwaar leven, zestig uur in de week is niet ongebruikelijk en altijd is er tijd tekort. Juist daarom hebben ze mensen nodig; mensen met ervaring, die stukken kunnen ‘doorzien’ en snel en gericht noodzakelijke kennis kunnen mobiliseren. Heeft het huidige parlement al voldoende constitutioneel besef om zijn ‘kennisrechten’ op te eisen?

Guido Enthoven is directeur van het Instituut voor Maatschappelijke Innovatie. Hij werkt aan een proefschrift over ‘Informatie en Politiek’.