Ik word steeds beter

Versleten knieën en een gehoorapparaat? Dat is toch geen reden om geen jazz meer te spelen? Muzikanten van in de zeventig en tachtig gaan door tot het echt niet meer kan. „Ik ben bezeten van dit vak.”

Toots Thielemans mondharmonica Foto Vincent Mentzel Mentzel, Vincent

‘Oud?” Rita Reys spreekt het uit alsof het een smerig woord betreft. „Ik geloof niet in oud zolang mijn gezondheid nog goed is. 83 is niet altijd ziekelijk en bejaard. Zolang mijn stem nog goed klinkt, en dan bedoel ik echt góed, zonder breken of piepen, blijf ik lekker aan het werk.”

Rita Reys, sinds 1940 professioneel actief als jazz-zangeres, is zich er maar al te goed van bewust dat haar buitengewone leeftijd tal van nieuwsgierigen trekt tijdens haar tournee. Hoe de mensen komen kijken ‘hoe dat oude mens het nog doet’. Ze kent de vooroordelen en de twijfels over haar huidige zangkunst. Kan ze het nog wel, houdt haar stem het nog? Maar er is niemand kritischer dan de zangeres zelf. „Mijn stem houd ik goed bij. Goed loszingen van te voren, de boel soepel houden. Als het minder wordt, dan zet ik er een streep onder.”

En het moet gezegd, voorlopig smoort ze iedere criticaster de mond. Van slijtage is weinig te merken. Haar theatertournee, een doublebill met saxofonist Piet Noordijk, trekt volle zalen. Reys staat op de festivals, speelt in jazzclubs en is te horen op exclusieve bedrijfsfeesten. In 2004 vierde ze haar tachtigste verjaardag, ze maakte de cd Beautiful Love. A tribute to Pim Jacobs en schreef haar autobiografie Rita Reys, Lady Jazz. In 2006 ontving ze de Edison Oeuvreprijs, vorig jaar verscheen haar live-cd Live at Carré. La Reys doet er zeker nog toe.

Dat weten ook haar begeleiders: Ruud Jacobs, de broer van haar overleden man Pim Jacobs, die haar al jaren bijstaat, en de jongere, conservatoriumgeschoolde profmusici in haar band, Peter Beets (piano), Martijn van Iterson (gitaar) en Joost Patocka (drums). Zij kennen Reys als kordaat optredende, eigengereide leading singer die hen aanpakt als het huiswerk naar haar idee is afgeraffeld. Zij stuurt, geeft aan en duldt geen egotripperij in de band. Haar gevoel voor timing is onveranderlijk sterk en ze beweegt zich elk concert weer anders door de maten.

„De mensen verwachten ouderwetse muziek”, zegt Reys. „En wat zijn ze dan verrast: de jazz is er bij mij niet uit te krijgen. Ja, ik ben bezeten van dit vak. En nu ik nog loop als een kievit en ik nergens een pilletje voor heb, sta ik te dansen en geef ik me helemaal.” Ze heeft nog nooit zoveel succes gehad als nu, constateert de zangeres. Dankbaar was ze voor de prijzen van erkenning in haar leven, maar van de ‘tot de nok toe uitverkochte’ theaterzalen die ze wekelijks trekt geniet ze intens. „Ik bén er nog”, roept Reys uit. „En het gaat heerlijk. Soms zitten er wat weken tussen, heb ik even niets. Dolblij ben ik dan wanneer ik weer mag. Moe na afloop ben ik niet. De adrenaline spuit door het lijf.”

Op leeftijd, maar niet te remmen. Ook de Belgische mondharmonica-speler Toots Thielemans (85) is een taaie. In 2004 viel hem een bijzonder muzikaal eerbetoon ten deel: ‘The Magic of Toots: A Celebration of Toots Thielemans’ in de New Yorkse Carnegie Hall. Zijn jazz met een traan is geliefd in veel landen. Nog altijd reist hij van Brazilië naar Amerika tot Zweden. Vorig jaar ging het even mis, hij stortte in. Oververmoeid. „Ik deed te veel, tweehonderd concerten per jaar is op deze leeftijd misschien wat overdreven”, grinnikt hij aan de telefoon vanuit zijn huis in La Hulpe, nabij Brussel. „De dokter zegt dat ik rustiger aan moet doen.”

Nu wordt er meer tijd gepland tussen de optredens en reizen. Zijn astma bestrijdt hij met zijn pufjes. En wat ‘pillekes’ houden hem op de been. „Muziek is en blijft voor mij zowel een obsessie als een plezier. De harmonica is een mooi instrument. Blaas, en drie centimeter verder hoor je het geluid. Willem Duys zei: ‘Laat Toots maar lekker huilen met zijn broodje.’ Ja werkelijk, er druipen tranen uit dit instrument.”

Toch voelt hij, net als Rita Reys overigens, niet meer de behoefte nog cd’s te maken. „Ik heb eigenlijk alles wel gedaan”, verklaart hij. „Opnemen is een belangrijke gebeurtenis. You put yourself naked in front of the microphone. Dan moet je wel wat te vertellen hebben. And I said it all. En daarbij: de jazz verkoopt tegenwoordig weinig. Als zelfs grootheden als Herbie Hancock en Wayne Shorter met magere verkoopaantallen zitten. Waarom zou ik dan nog? Laat mij maar lekker jammen met de jongens.”

Kijk naar de geschiedenis

en je zou denken dat jazzmusici geen lang leven beschoren is. Live fast die young – de onreguliere werktijden, de werkdruk en de makkelijk te verkrijgen, ‘demonen bestrijdende’ pepmiddelen leveren een beeld op dat geen muzikant de 65 haalt. John Coltrane werd immers maar 41, Charlie Parker haalde maar net de 35 jaar, drugs en drank werden Billie Holiday op haar 44e fataal en naast de jonggestorven Eric Dolphy (44), Charles Mingus (57), Clifford Brown (26), Jaco Pastorius (36). Miles Davis en Thelonious Monk werden net 65.

Des te verrassender het is hoe lang jazzmusici blijven doorspelen zoalng ze in orde zijn. Opmerkelijk: drugs en alcohol zijn vaak afgezworen, religie geeft inmiddels richting aan en maar al te vaak onderwerpt de jazzsenior zich aan een streng gezondheidsregime. Saxofonist Sonny Rollins en freejazzer Ornette Coleman, beiden 77 jaar, zijn op een tournee die eeuwigdurend lijkt.

Ook in Nederland lijkt ‘spelen tot je er bij neervalt’ het adagium in de jazz. Wie eenmaal aangeraakt is door de muziek en het spel van de vrije val in de noten kent, blijft er bevangen door. De jazz in al zijn verschijningsvormen laat niet meer los. Al overlijden er elk jaar weer musici van naam of worden wegens ziekte rustpauzes ingelast – wie fit is speelt door.

Het aantal zestigers onder de Nederlandse jazzmusici is behoorlijk. Een selectie: drummer John Engels (1935), drummer Pierre Courbois (1940), drummer Han Bennink (1942), blazer Willem Breuker (1944), drummer Eric Ineke (1947). Maar ook zeventigers als trompettist Ack van Rooyen (1930), saxofonist Piet Noordijk (1932), pianist Misha Mengelberg (1935), bassist Ruud Jacobs (1938) en zangeres Greetje Kauffeld (1939) reizen nog stad en land af voor hun concerten. En met Rita Reys zijn er ook genoeg opvallende tachtigers die nog steeds van betekenis zijn in Nederland en omstreken. Neem Toots Thielemans of de in Duitsland woonachtige pianist Rob Pronk (1928).

Opmerkelijk in het spel van jazzsenioren is de geestdrift, het vuur. De weg op hun instrument weten ze al jaren blind te vinden, maar het creatieve proces staat nooit stil. „Een van de mooiste nummers is Sophisticated Lady van Ellington”, zegt Thielemans. „Ik speel het al zestig jaar, maar mijn improvisatietaal is ontwikkeld met de jaren. Ik probeer hedendaagse elementen toe te voegen en het zo interessant te houden.”

De 76-jarige saxofonist Piet Noordijk heeft wel een verklaring voor de onverminderde drive. „Wij musici blijven jong door de muziek. Daar ben ik van overtuigd. Hoeveel mensen hebben geen beroep waarbij ze blij zijn dat ze dat werk over een paar jaar niet meer hoeven? Ik maak nu al plannen voor nieuwe tournees. Maar niet dag in dag uit hè. Want dan moet je middelen gaan nemen om op de been te blijven. Dat is het begin van het einde.”

Ook Noordijk denkt niet aan rentenieren. Sterker nog, beweert hij in zijn woning in Hellevoetsluis, hij klinkt nu „beter dan ooit”. Als kind in de Rotterdamse wijk Tuindorp begon hij op klarinet. Later, beïnvloed door zijn idool Charlie Parker, leerde hij zichzelf saxofoon spelen. Op 19-jarige leeftijd speelde hij met zijn eerste jazzbandje elke zaterdagavond bij de chique Rotterdamse dansschool Meyer et Fils. Bijna zijn hele professionele muzikantenbestaan was hij orkestlid: bij de Skymasters, de Ramblers en het Metropole Orkest, waar hij weliswaar een goede boterham verdiende, maar vooral amusementsmuziek speelde. Toen hij bij het laatste orkest als leadsaxofonist met de vut ging, op zijn zestigste, kon hij „eindelijk” gaan doen wat hij wilde: jazz spelen voor zijn plezier. Met succes. „Ik merkte het meteen: een groeispurt in mijn spel. Ik word steeds beter.”

Op zijn 75e, vorig jaar, vierde

hij zijn zestigste jubileum in het Amsterdamse Bimhuis met zijn verschillende bands. „Door mijn pensioen ben ik nu van niemand afhankelijk. Ik zei tegen mijn publiek: ik ben nu wel 75 geworden. Maar daar ben ik naartoe geluld. Morgen ga ik gewoon weer verder met 45 hoor.”

Met Rita Reys werkt hij dit seizoen achttien theaterconcerten af. Het publiek, grotendeels vanaf veertig jaar, is vanaf de eerste klanken thuis. De hoofdmoot van het repertoire vormen jazzstandards, die door geen van beiden gemakzuchtig worden ingevuld. Het herkenbare, urgente geluid van Noordijk dwingt respect af, en Reys’ hese stem met dat licht-geaffecteerde is door de soepele frasering nog steeds aangenaam om te horen.

Noordijk heeft nog meegemaakt dat Nederland zo’n 350 jazzclubs telde. Er zijn er misschien nog 12 over. „Het is heel moeilijk. De Jazz in de Schouwburg-serie is daarom geweldig. Overal waar we komen is het uitverkocht. De mensen vinden het 't einde. De muziek roept nostalgische gevoelens op.”

Het doet hem denken aan vroeger.

„Ik heb veel musici gekend”, vervolgt hij. „En wat heb ik al veel jazzmaatjes verloren. Muzikanten gingen vroeger anders met elkaar om dan nu. We zaten veel bij elkaar thuis, veel feestjes. Ik mis dat wel. Nu met de jongere generaties is de omgang veel vluchtiger.”

Noordijk kan zich geen leven voorstellen zonder jazz. „Vanaf de luier hoor ik die muziek. Als er geen jazz zou bestaan zou ik niet kunnen leven.”

Op versleten knieën en een gehoorapparaat na is er nauwelijks fysiek ongemak. „Ik heb een afspraakje met mezelf dat ik doorga tot mijn 95e, net zoals als altsaxofonist Benny Carter. Met hem speelde ik eens op het North Sea Jazz. Toen was hij tachtig en we ontvingen allebei de Bird-Award. Twee jaar geleden zagen oude muziekvrienden hem nog spelen in een jazzclub in New York. Dat wil ik ook besloot ik meteen.”

Maar het is niet een en al romantiek in de jazz. Voor sommigen is doorspelen namelijk een bittere noodzaak, want ondanks dat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt, is het spaargeld voor de oude dag of de AOW lang niet toereikend. „Het is geen nieuws, de jazz is geen vetpot”, zegt Rita Reys.

Dat kan de reden zijn dat er in het schnabbelcircuit van bejaardentehuizen, wijkgebouwen en koffieconcerten ook tal van enthousiaste (semi-prof) jazzmusici te vinden die regelmatig optreden. Zoals de 86-jarige Eddy Doorenbos, een Nederlandse Sinatra-adept. In de jaren vijftig was hij bekend als vocalist bij The Millers. Nu verdeelt hij zijn tijd tussen optredens in hotelbar, de soos, wijkgebouw en café. Ook The Ramblers-altist en klarinettist, Ben Vrauwdeunt (76), is zo’n musicus die geliefd is onder een select aantal liefhebbers. Reys: „Er zijn er genoeg die voor het geld door moeten. Ik zit zestig jaar in het vak. Ik heb een fijn huis en wat centjes op de bank, maar rijk? Nee niet in de jazz.”

Stoppen? Het schiet wel eens

door het hoofd van Ack van Rooyen (77) uit Den Haag. „Maar het is nog steeds leuk met nieuwe muziek en nieuwe spelers. Ik wil niet optreden met het gevoel dat die ouderdom alleen nog mijn succes is. Oud voelen komt meestal van de buitenkant. Dat ze je koffer gaan dragen.”

Op de vraag hoe hij zijn jazz levend houdt lichten de ogen van de trompettist, die vorig de Singer Laren Jazz Award kreeg, op. „Door met de jeugd te werken in workshops. Dan kom je jezelf steeds tegen. Jonge spelers houden je scherp, ze komen met vragen waar je echt weer over na moet denken. Dat geeft energie.”

De talenten van nu – Joris Roelofs, Rik Mol, Ben van Gelder – zijn allemaal net twintig jaar. Betrapt hij zichzelf wel eens op de gedachte: daar is weer zo’n generatie? Van Rooyen: „Tja, de beste solo’s zijn natuurlijk allemaal al gespeeld. Maar er zitten toch telkens goede spelers tussen. Waar ik op let is de improvisatie. Dat interesseert me het meest. Je moet kunnen spelen wat je hóórt in je hoofd. Dat is jazz en dan doet tijdperk of generatie er weinig toe.”

De oren zijn van een muzikant als de ogen zijn van een schilder, leerde hij al vroeg. „Improviseren is A en B, vraag en antwoord. Je zingt een riedel en er komt een antwoord. Heb je al je kanalen open, hoor je de ander.” Jonge spelers zijn vooral met zichzelf bezig, zegt Van Rooyen. „Terwijl ze spelen, horen ze niets van de ander. Te veel techniek hebben is gevaarlijk, je kunt erin vluchten. Uitsloverij wordt het dan. Als je ouder wordt komt er meer ruimte. Miles Davis speelde soms maar één noot. Niet omdat hij niets anders hoorde, maar hij koos voor die ene, hele luchtige.”

Ook Rita Reys ziet de verschillen met vroeger: „Tegenwoordig noemt iedereen zich maar jazzartiest. Dan zingen ze pop en dan doen ‘een uitstapje naar de jazz’. Nou, ik heb er nooit één gehoord die het goed deed. Ja, een ballade, dat kan iedereen. Maar in een uptempo song is de timing zó belangrijk. Dan staan ze hun best te doen, maar het komt er niet uit. Vroeger zeiden wij dan: swing of ik schiet.”

Concerten: Piet Noordijk 27/4 Theater Diligentia, Den Haag (+ Rita Reys). 29/4 Het Seabottum Jazzfestival, Lelystad. 24/5 The Hague Jazz, Den Haag. 25/5 Meerjazz Festival, Hoofddorp. Rita Reys: 20/4 Het Witte Huis, Oegstgeest. 3/5 Celebrating Ruud Jacobs, Bimhuis, Amsterdam. 9/5 Schouwburg Middelburg. Ack van Rooyen met Soesja Citroen, 16/5 De Tor Enschede.

    • Amanda Kuyper