Hugo Claus

Sterven midden in een Boekenweek die aan oude mensen is gewijd – Hugo Claus had het in een roman verzonnen kunnen hebben. Je ziet hem knipogen, terwijl hij ons laat worstelen met dat ernstige thema en de loodzware begrippen die het met zich mee torst. Dementie, lijden, dood, lach er maar eens om.

Wat mij trof in de eerste berichten over zijn overlijden, was de vermelding dat hij aan Alzheimer leed en het tijdstip van zijn dood zelf had gekozen. Voor mij klonk het bijna als een tegenstrijdigheid. Dat komt doordat ik mij bij de enige Alzheimerpatiënt die ik van zeer nabij heb gekend, mijn moeder, geen fase kan herinneren waarin ze nog helder genoeg was voor zo’n zelfstandige beslissing. Toen de ziekte eenmaal begonnen was, sijpelde ze ook door de kieren van haar heldere momenten heen.

Claus, begreep ik uit Trouw, heeft al enkele maanden geleden met zijn vrouw voor euthanasie gekozen, „zodra hij geen controle meer zou hebben over zijn leven.”

De Vlaamse schrijver Erwin Mortier beschrijft vanmorgen in de Volkskrant hoe hij Claus in de vorige zomer opzocht. Claus herinnerde zich opeens de naam van een Amerikaanse fotograaf. Veerle, de vrouw van Claus, en Mortier wisselden een blik. „Hij was er nog.” Een jaar eerder, aldus Mortier, was Alzheimer bij Claus geconstateerd, „één der afschuwelijkste ziekten die een mens, laat staan een schrijver, kan overkomen.”

Later op de dag zegt Claus tegen hem: „Ik had nooit gedacht dat het me zo zwaar zou vallen om van het leven afscheid te nemen.”

Tegen deze achtergrond is het nogal wrang dat de euthanasie van Claus in België én Nederland tot enige verontwaardiging heeft geleid. Waarom mocht het bij hem wél en bij ons familielid niet, wil men weten. Hoe noem je dit? Mortale jaloezie misschien?

Een Belgische euthanasiedeskundige probeert de boosheid weg te nemen: „Zijn (Claus’) arts moet naar eer en geweten hebben vastgesteld dat hij nog in staat was tot een coherent gesprek, toen hij zijn euthanasieverzoek deed. Dat moet hem niet in één maar in herhaalde gesprekken zijn gebleken. Dat vereist de wet.”

Gelukkig maar. Het zal ons toch niet gebeuren dat iemand er stiekem tussenuit knijpt, terwijl wij op ons sterfbed liggen te creperen? Samen thuis, samen uit.

Laat ik toch maar een beetje vrolijk eindigen. In mijn vorige huis hadden wij op de wc een prikbord met gedichten opgehangen. De mooiste poëzie die we in kranten hadden gevonden. Mijn kinderen kunnen er zich nog altijd flarden van herinneren.

Eén van die gedichten was van Hugo Claus en er stond tussen haakjes boven: Op Thomas zijn vierde verjaardag. Hierin wint het leven het nog van de dood.

Later, mijn jongetje, word je een man,

later reikhals je als een giraffe naar het hoe en het waarom.

Men zal je stempelen als bagage.

Men zal je kwetsen om je wens en je droom.

En jij zal trachten eens en voorgoed te fotograferen

het hoe en het waarom van de vrouw

die kantelt in je lakens

die zingt naarmate je ontdubbelt in haar vel.

En nog later, jongetje, wordt

je leven een plakboek.

Maar nog lange niet, nog lange niet.

    • Frits Abrahams