Hoed u voor domme en vlijtige officieren

Wie bij het grote publiek belangstelling wil wekken voor de geschiedenis moet zich richten op het individu. En dan liever een individu dat toevallig getuige is geweest van een grote historische gebeurtenis, dan een hoofdrolspeler. Met staatslieden, legerleiders, geleerden of kunstenaars kan de massa zich niet zo makkelijk identificeren – wel met de gewone man of vrouw die een moment door de maalstroom van de geschiedenis is meegenomen. Concentreer je op het individu en er blijkt eigenlijk niet zo veel te zijn veranderd.

De televisieserie In Europa, naar het boek van Geert Mak, berust op dit principe, maar hetzelfde geldt voor de populariteit van bijvoorbeeld Anne Frank. Via haar dagboek heeft de abstractie van zes miljoen een even menselijk als onweerstaanbaar gezicht gekregen. Herkenning is hier de sleutel tot het verleden.

Ook talloze historische romans zijn volgens dit recept geschreven, tot groot genoegen van de vele lezers. De literatuur is gewoonlijk minder enthousiast, want herkenning staat als literaire verdienste niet hoog aangeschreven. Waarom dat zo is, ligt voor de hand: het is te gemakkelijk. Literatuur moet altijd een beetje moeilijk zijn, zonder creatieve inspanning van de lezer stelt zij niets voor. Dankzij de moeilijkheid wordt de lezer ook een schepper, in plaats van iemand die in de spiegel kijkt. Een literaire geschiedschrijving zou dus precies het tegenovergestelde moeten doen van wat de populaire auteurs en documentairemakers doen: niet de herkenning stimuleren, maar het vreemde, het andersoortige karakter van het verleden benadrukken.

Dat dat niet ten koste hoeft te gaan van de aandacht voor het individu, bewijst Hans Magnus Enzensberger in Hammerstein oder der Eigensinn (Suhrkamp, 2008). Niemand hoeft bang te zijn dat hij zich zal herkennen in Kurt von Hammerstein, Pruisisch edelman en militair, en in 1933 bevelhebber van de Duitse Reichswehr. Een getuige van een grote historische gebeurtenis, maar geen toevallige, want hij behoorde ook tot de hoofdrolspelers.

Enzensberger beperkt zich niet tot Hammerstein, diens hele familie komt in beeld, en dat maakt alles nog fascinerender. Want twee van zijn dochters blijken in de Weimartijd communist te zijn geworden. In het cruciale jaar 1933, toen Hitler op 3 februari in huize Hammerstein ten overstaan van de verzamelde Duitse generaals zijn toekomstplannen ontvouwde, waren zij gelieerd aan spionnen van de Komintern. Met als gevolg dat de tekst van Hitlers – geheime – toespraak binnen een week bekend was in Moskou.

In het boek komen nog veel meer vreemde zaken voor, zoals de samenwerking tussen de Reichswehr en het Rode Leger in de jaren twintig en dertig. In strijd met het Verdrag van Versailles hield het gereduceerde Duitse leger heimelijk oefeningen in Rusland, men leidde er piloten op en experimenteerde met gifgas. Hammerstein was daarbij direct betrokken; als dank voor de goede samenwerking werden zo nu en dan blikken kaviaar in Berlijn thuisbezorgd. Over de – ook amoureuze – omgang van zijn dochters met communisten, joden nog wel, schijnt Hammerstein zich nooit negatief te hebben uitgelaten. Blijkbaar vond hij dat hún zaak. Over deze dochters zegt een van hun kinderen in het boek, dat hun ‘aristocratische zelfverzekerdheid’ zo groot was dat ze eenvoudig nooit hun best hebben gedaan om naar ‘een goede partij’ uit te zien. Hun eigenzinnigheid, kortom, deed niet onder voor die van hun vader.

Hammerstein placht officieren in vier categorieën in te delen: je had slimme, vlijtige, domme en luie. Meestal waren in elke officier twee eigenschappen aanwezig. Slimme en vlijtige officieren, vond hij, dienden in de generale staf te worden opgenomen. Negentig procent van elk leger bestond uit domme en luie officieren. Voor domme en vlijtige officieren moest men op zijn hoede zijn. De meeste waardering krijgt de slimme en luie officier: zo iemand ‘kwalificeert zich voor de hoogste leiderstaken, want hij brengt de geestelijke helderheid en zenuwsterkte mee die nodig is om zware beslissingen te nemen’.

Er hoeft niet aan getwijfeld te worden tot welke categorie Hammerstein zichzelf rekende: door menigeen werd hij ‘lui’ gevonden, maar ook ‘briljant’. Toch is het hem niet gelukt Hitler van de politieke macht weg te houden. In december 1933 nam hij ontslag als bevelhebber. Twee van zijn zoons waren later betrokken bij de samenzwering van de 20ste juli 1944, maar Hammerstein (die in 1943 overleed) zag zelf niets in een dergelijke aanslag.

Hoewel hij privé zijn afkeer van Hitler nooit verborg, krijg je de indruk dat alles ook een beetje van hem afgleed. Alsof het enige wat hem echt interesseerde de jacht was; zodra hij de kans kreeg, trok hij er op uit met geweer en weitas. Ook wat zijn dochters nu precies bezielde, blijft raadselachtig. Zelf voelden ze geen aandrang om zich nader te verklaren, ook al doet Enzensberger zijn best hen door middel van imaginaire ‘dodengesprekken’ alsnog uit de tent te lokken. Meestal tevergeefs. Het ‘zwijgen van de Hammersteins’, schrijft hij, berust op een ‘overeenstemming’ waartoe de buitenstaander geen toegang heeft. ‘Er blijft een onuitgesproken rest, die geen biografie kan oplossen; en misschien is het wel die rest waar het op aankomt’.

Wat een verschil met de op herkenning gerichte geschiedschrijving voor een groot publiek. Die geschiedschrijving zou je democratisch kunnen noemen; wat Enzensberger doet, gedreven door een onmiskenbare sympathie en zelfs nostalgie, mag dan behalve ‘literair’ ook aristocratisch heten. Er is geen predikaat dat beter past bij het onderwerp van dit schitterende boek.

    • Arnold Heumakers