Hoe houden ze het vol?

Striptekenaar Gummbah vindt dat hij in zijn werk meer sympathie dan spot toont voor de eigenaardigheden van de mens. „Als het goed is, vraag je je af waarom je lacht.”

Is een interview wel verstandig? Nog tot na afloop van het gesprek over zijn werk twijfelt Gummbah. Het publiek ziet zijn groteske tekeningen als de producten van een zieke geest. Moet hij lezers in die waan laten, of mogen ze zien dat het wel meevalt? Hij had er zijn gedrag ook op kunnen aanpassen, zegt hij. „Makkelijk, trek ik een duikerpak aan voor dit interview.”

Zo’n actie zou passen bij zijn ontregelende cartoons, die worden bevolkt door veelal dikke, lelijke, schurftige, riekende oudere vrouwen en mannen, gehandicapten en smurfen, veelal in hun blote kont, en die seks hebben of aan het doodgaan zijn. Het zou passen bij het imago en het succes van de strip.

Maar het past niet bij Gertjan van Leeuwen, de bedachtzame man achter het pseudoniem. „Ik ben niet gestoord”, zegt de veertigjarige Tilburger ten overvloede bij het afscheid. „Je hebt zelfs gewoon thee gekregen.” Het spijt hem dat lezers nu van alles over hem te weten komen. Hij doet het voor het museum – De Hallen in Haarlem, waar een kleine expositie is ingericht met zijn werk. „Al heb ik geloof ik wel gezegd dat het onzin is om strips aan de muur te hangen.”

Dat is zo. Die strips aan de muur zijn handgemaakte cartoons waar de typex op zichtbaar is en prints van op de computer ingekleurde tekeningen. Ook hangen er enkele acrylschilderijen en in vitrines truien met teksten als ‘Nobody forever’ en ‘You’re not gonna get in my pants if you don’t love Jesus’.

Met alleen een tekst op een trui kan Gummbah al mensen aan het lachen maken. In zijn hilarisch-grimmige cartoons en strips, die tot vorig jaar verschenen in Humo en nog altijd in de Volkskrant, is de taal minstens zo belangrijk als het beeld. Gummbah vertelt hoe hij vijftien jaar geleden verslingerd raakte aan poëzie. „Ik las iets van Martin Reints: „‘Vrolijke automobielen in een vergeten straat/ (wel alleen op feestdagen, maar toch)’. „Om dat ‘Maar toch’ moest ik geweldig lachen.” En hij citeert Tonnus Oosterhoff: „‘Roeren, roeren, roeren. Zou je ze niet.’ Toen was ik verkocht. Er zou een bloemlezing moeten komen met alleen grappige regels uit de poëzie. Of zouden de dichters dat niet goed vinden?”

Hij schrijft zelf gedichten, en net

als bij het tekenen koestert hij de vermomming. Hij gebruikt steeds andere namen. „Als Gertjan van Leeuwen blokkeer ik. Het lukt pas als ik een naam van een schrijver én een titel heb. Ik treed er mee op en ooit komt er een bundel van.” Bij optredens snapt niet iedereen dat hij alleen gedichten van ‘anderen’ voordraagt. „Ik maak mee dat mensen kwaad worden en roepen: ‘Doe nou eens iets van jezelf man!’”

Gummbah als de Pessoa van de Lage landen. „Die namen hebben met mijn schaamte te maken. Gedichten vind ik al gauw aanstellerig. Het moet ergens over gaan. Dat heb ik ooit geleerd op een leeftijd dat ik er bevattelijk voor was. Ik creëer een personage dat zak genoeg is om zich over zulke bezwaren heen te zetten. Zo gaat het ook als ik Gummbah ben.”

Na de School voor Journalistiek richtte hij zich op wat hij echt wilde: tekenen. Op jonge leeftijd was hij nog te geïmponeerd door de virtuositeit van grootheden als André Franquin (van Guust Flater) en Robert Crumb (de vader van de Amerikaanse underground-beweging). Het was de punkmentaliteit van jonge tekenaars als Hein de Kort en Eric Scheurs en de anti-humor van Kamagurka die hem deden beseffen dat hij zijn eigen weg moest gaan. Humo wilde in 1994 wel werk van hem publiceren.

Sindsdien verschenen er tien bundelingen van zijn werk. Een paar jaar geleden begon hij steeds minder cartoons (één plaatje) en steeds meer strips (meerdere plaatjes) te maken. Na Fout Varken en Kutbeer Wijnand kreeg Deirdre de hoofdrol en met haar is hij nog niet klaar. „Het is geweldig om een karakter tot ontwikkeling te brengen.”

Fameus zijn de lijsten met ‘titels ‘in voorbereiding’ in de boekjes. „Boektitels komen in me op als ik douche en bij de afwas. Op de fiets krijg ik ingevingen voor strips.”

Hij zet een beginsituatie op papieren gaat dan fietsen. „Dan raakt mijn hoofd leeg en komt de clou vanzelf.” Is dat een vast ritme? „Nou, het is vaak slecht weer. Dan blijf ik binnen. Ik kan een strip ook wel afronden als ik blijf zitten.” Niet aan grappen denken is voor hem de manier om grappen te verzinnen. „Schopenhauer deed dat ook al. Die bedacht een probleem en dacht er dan niet meer aan. Je onderbewustzijn is toch een soort puber. Pas als je het negeert, doet het wat je wil.”

Hij heeft zich in de materie verdiept.

„Ik heb er een geweldig boek over gelezen, Het slimme onbewuste van Ap Dijksterhuis. We hebben geen controle over het onderbewustzijn, maar het is veel intelligenter dan wij zelf. Jung en Freud zaten met hun theorieën al aardig in de richting, maar onderzoekers weten er tegenwoordig veel meer van. Met ons bewustzijn nemen we vijftig bytes per seconde op, met ons onderbewustzijn wel een miljoen. Als je zit te eten en praten in een restaurant worden de gesprekken om je heen ook opgeslagen – althans, binnen de grenzen van je zintuigen. Het kan dus dat een zinnetje voor een grap, uit de miljard zinnen die ik onbewust in restaurants heb gehoord, als ik ga fietsen door mijn onderbewustzijn naar voren wordt geschoven. Dan ben je totaal verrast als rationeel, bewust levend mens.”

Gummbah ziet het onderbewustzijn als de bron van creativiteit. Het enige dat de tekenaar nog doet, is een „opdracht geven”, door een tekening te maken. Daar moet de tekst bij worden gezocht.

Niet dat grappen maken nu maar makkelijk is. „Het blijft eng. Je kunt beter afhankelijk zijn van de Sociale Dienst dan van je onderbewustzijn.” En, geeft hij toe: „Als er al sprake is van talent, dan is dat het herkennen van de vondst. Mijn onderbewustzijn roept wel meer, maar mijn talent is de eindredactie. Vaak moet ik ook nog wel wat aan de zinsvolgorde doen. Dat is een kwestie van ambacht.”

Waar komen de beelden vandaan? „Tekenen gaat vanzelf. Ik zit altijd zo’n beetje voor me uit te schetsen. Ik begin altijd met een oor. Vraag me niet waarom. Dan komt de rest vanzelf. Het is niet dat ik een beeld voor me zie en dat na moet gaan tekenen. Godzijdank niet.”

Zijn tekeningen kennen een beperkt scala aan situaties. „Ja, daar moet ik wel voor oppassen. Dan begon ik met een smurf en dan kwam er wel wat. De voorbinddildo is ook een tijd populair geweest. Ik wist tot op hoge leeftijd niet dat het bestond – dat zoiets ook gangbaar is bij echtparen.” De ontdekking dat vrouwen hem gebruiken bij hun man intrigeerde hem: „Waarom trouw je dan?” Hij staart voor zich uit: „Hoe begin je erover met je vrouw? Schat, zouden we niet eens... Ik heb wel bewondering voor mannen die hun vrouw zo ver krijgen.” Hij lacht. „Hoewel, bewondering is misschien wat sterk uitgedrukt.”

In zijn cartoons tekende hij grote vrouwen met immense dildo’s. „Ja, ik dik het wel wat aan om het over te brengen. Dat brengt het medium met zich mee.” Ook wordt de ‘traditionele’ rolverdeling omgedraaid. Dan staat er een vrouw met zo’n kanon bij het bed en zegt tegen haar onwillige man: „Dan maak je maar zin!” Gummbah: „Ik had meteen door dat het leuker werd als het initiatief van de vrouw uit ging. Ik neem aan dat dat in het echt niet zo is.”

Het idee „ontroerde” hem ook. „De wanhoop waarmee mensen toeren uithalen om nog iets van genot uit hun lichaam te peuren.” Dat is een terugkerend thema en misschien wel essentieel in zijn werk. Gummbah knikt: „Ja, ik ben een empathisch mens.”

Het kan aan zijn soms wat lijzige, Brabantse tongval liggen, maar het is alsof de ironie van Reve over hem komt. Maar hij meent het. Is Gummbah niet de man van de onbarmhartige spot? „Mijn werk kent meer sympathie dan spot.” Toch niet voor die karikaturale lichamen, die in dienst staan van de lach? „Je kunt om verschillende redenen lachen. Als het goed is, vraag je je af waarom je lacht. Want uiteindelijk zijn de situaties die ik teken helemaal niet zo geestig. Ze zijn tragisch. Zoals het leven zelf.”

Uit ‘het leven’ haalt hij ook zijn inspiratie.

„Ik kijk op straat gewoon goed om me heen. Als je de mensen ziet, dan vraag je je af: hoe houden ze het vol?” Puur vanwege hun uiterlijk? „Nou, ik woon in Tilburg hè. Hier zijn veel mensen waarvan je denkt: hoe houden ze het vol? Dat is een gedachte die mij plaagt en om daar vanaf te komen, moet ik er grappen over maken.”

Mensen houden het leven onder meer vol door op vakantie te gaan, het onderwerp van zijn laatste bundel, Op de camping. In veel cartoons zitten stellen tegenover elkaar in de caravan, geperst achter een krappe tafel. Er wordt vaak gezocht naar conversatie, soms vallen er stiltes. „Ik ben zelf ook bang voor pijnlijke stiltes. Dus zoek ik zo’n situatie op, op papier, om te zien hoe ik het nog erger kan maken. Tot het zo schrijnend wordt dat je moet lachen. Dan heb je een cartoon.” Zo bezweert de tekenaar zijn angsten.

Zijn al die grappen met neukende homo’s ook een uiting van empathie? Of is het een bezwering? „Zeker empathie. In een bepaald segment van de homowereld is het liefdesleven enorm losgeslagen. In parken mag alles en is alles direct beschikbaar. Toch kunnen ze geen bevrediging vinden. Die losgeslagenheid heeft iets radeloos en dat maakt het enorm geestig. Die seks levert ook extremer beelden op dan bij een man en een vrouw.”

Een andere verklaring voor dit thema in zijn werk, legt hij uit, is is dat hij jarenlang bij twee homo’s in de tuin woonde. „In een voormalig washuis, waar ik elke maand enorm veel huur voor moest betalen.” Dat klinkt alsof wraak zijn motief is. „Nee, ik tekende al terwijl ik daar woonde. Terwijl zij hun geld zaten te tellen, zat ik tekeningen over hun praktijken te maken.”

Tekende hij wat hij zag? „Dat niet, maar in dat huis woonde een rijke, oudere homo met een jonge vriend en die oudere man kon over niks anders praten dan seks. In drie zinnen bracht hij elk gesprek op seks. Heel knap.”

Wat Gummbah betreft verdeelt hij zijn spotlust „eerlijk over treurige echtparen, homo’s, gehandicapten, smurfen, bejaarden en dichters van deze heerlijke wereld. Je moet er niet veel achter zoeken. Als ik in de tuin van een eenzame ijsverkoper had gewoond, hadden er meer eenzame ijsverkopers in mijn tekeningen gezeten.”

Krijgt hij veel commentaar van krantenlezers op zijn grappen? Hij pakt de eerste strip van Op de camping erbij, waar een vrouw zit te poepen. „Mensen waren hier woest om. Dit staat op 1 in de ergernissen top-10. Met ontlasting willen ze niks te maken hebben. Ze vinden het nog erger dan seks, dat staat op 2. Helemaal onderaan staat geweld, daar hoor je nooit iemand over.”

Over de rol van gehandicapten klagen alleen valide mensen. „Van gehandicapten zelf krijg ik alleen maar leuke brieven.” In zijn tekeningen wordt ook veel geschreeuwd, verbeeld door de letters vet te maken. „Er kwam eens een brief van een man die dat geschreeuw ’s ochtends in zijn krant niet wilde hebben. Dan merk je dat sommige mensen je nog in humor overtreffen.”

‘Gummbah; Ongeldige Seks’, t/m 8 juni 2008 in De Hallen in Haarlem.