Het spelende boek

De jury van de Librisprijs 2008 koos voor uitzonderlijke, zij het niet uitzonderlijk goede boeken. Dinsdag wordt de shortlist bekendgemaakt. Zal die óók een ode zijn aan het spel in de literatuur?

Arnon Grunberg en vriendin bij de uitreiking van de Librisprijs 2007 Foto Marten Hartman/HH Nederland, Amsterdam, 7-5-2007 Grunberg wint Libris prijs. Foto Maarten Hartman toosten champagne Hartman, Maarten;Hollandse Hoogte

Twee redenen maken de Librisprijs belangrijk. Eerst de onderbouw: het geld. Vijftigduizend euro betekent ten minste een jaar ongestoord verder schrijven. Voor de financiële sprokkelaars die de meeste schrijvers zijn, is dat een unieke subsidie. Het is dan ook geen toeval (en terecht) dat de AKO- en Librisprijs nog nooit naar hetzelfde boek zijn gegaan. Bij dat prijzengeld komt nog de gestegen oplage: in Nederland is er geen grotere verkoopstimulans dan een nominatie voor een van de twee grote commerciële prijzen. Schrijvers mogen duizend doden sterven in de tv-studio bij een prijsuitreiking, they’re in it for the money.

Dit stuk gaat echter om de bovenbouw, om de tweede reden die de prijzen belangrijk maakt. Dat is niet: het beste boek van het jaar kiezen. Dat doen we voor de statistiek, niet voor de literatuur. De grote waarde ligt aan de randen van het proces: het wegen van de oogst van een literair jaar en het signaleren van de boeken die wel goed zijn, maar niet goed opgemerkt. Die zijn er altijd: recensenten, tv-makers en ook uitgevers schuiven vaak eensgezind dezelfde boeken naar voren. De jury’s doen hun herstelwerk vooral op de longlist, de ruwe selectie van tegen de twintig titels die er echt toe doen. En soms haalt één van die dark horses het gezelschap van usual suspects op de shortlist. Zoals bij de Gouden Uil van dit jaar de laatste roman van Marc Reugebrink, Het grote uitstel.

De jury van de Librisprijs 2008 is een stuk radicaler te werk gegaan dan haar Vlaamse collega’s. Op de longlist, begin vorige maand bekend gemaakt, ontbraken de nieuwe boeken van Palmen, Lieske, Franke, Japin, Anker, Meijsing, Bernlef en Thomése – allen oud- winnaars van AKO- of Librisprijs. Ook Krol, Van Dis en Dorrestein werden overgeslagen. In plaats daarvan haalden onder anderen Bogaers, Delpeut, Fresco, Godijn, Goemans, Hooijer, Hüsgen, Legendre, Peeters en Provoost de laatste achttien. Wie? Ja, die.

Van haar taak als tegenhanger heeft de jury dus veel werk gemaakt. Misschien is dat geen toeval. De leden van dat door bankier Ton de Swaan voorgezeten gezelschap staan relatief ver af van de gebruikelijke kluitjes critici en deskundologen die de jurydiners frequenteren. Marc Kregting is vooral bekend door het boekje Zij zijn niet van Jeremia, waarin hij zijn dienstverband als redacteur bij Meulenhoff beschreef en uitviel naar de zakelijke oppervlakkigheid bij de grote uitgeverijen. De Vlaamse Marc Reynebeau is historicus en cultuurjournalist die over Van Ostaijen publiceerde en Bekende Belg werd door zijn rol als jurylid in het televisieprogramma De slimste mens ter wereld. Klaus Beekman doceert neerlandistiek aan de Universiteit van Amsterdam en is de enige full-time criticus in de jury, Fleur Speet van het Financieele Dagblad, is een van de onvoorspelbaarste recensenten van Nederland. Overigens staan er ook acht gerenommeerde schrijvers op de lijst, van wie Piet Meeuse en Sybren Polet relatief verrassend zijn. Minder geldt dat voor A.F.Th. van der Heijden, Jeroen Brouwers, Marjolijn Februari, Atte Jongstra, Stephan Enter en Kristien Hemmerechts.

Van de buitenkant bezien hebben De Swaan en zijn trawanten het dus uitstekend gedaan: liefst tien minder bekende boeken hebben kans op een tweede, beter leven. Maar zijn het ook goede boeken? En zit er een lijn in de lijst?

De stapel van achttien is intimiderend hoog en het intimiderendst is Plooierijen van geschik van Lucas Hüsgen: 674 grote bladzijden bedrukt met niet al te grote letters. Die vormen zinnen als ‘Slak die lang geleden kroop over de varensteel, ik hoor moeders rode trui redekavelen over de opvatting dat het bestaan opborrelt uit alles stofferende stoffelijkheid en ontspringt aan het spitse spel van kruis of munt.’ Het is knap, je begrijpt dat Hüsgen ook gedichten kan schrijven maar het doet je onherroepelijk aan het Groot Dictee

Vervolg op pagina 2

De Librisjury 2008 stelt zich juist op in de marge

Vervolg van pagina 1

der Nederlandse Taal denken – al is het maar omdat je na elke zin de behoefte voelt ’m nog eens te lezen.

Misschien wordt Plooierijen van geschik ooit herkend als meesterwerk, maar ik slaagde er niet in om contact met deze roman te krijgen. Er staan prachtige passages in, maar ook kan Hüsgen je pagina’s lang meevoeren in de avonturen van een zekere Pietje Kort Verblijf zonder dat er iets gebeurt dat je wilt onthouden. Dat een weinig toegankelijk boek als Plooierijen van geschik bij een grote uitgeverij (Querido) verschijnt is hoe dan ook een compliment waard – geen mens zal verwachten dat het boek een bestseller wordt.

Hüsgens roman is één van de drie boeken op de longlist die in deze krant niet zijn besproken. Dat geldt ook voor het dunste boek van de stapel: Bedenktijd, van de oude experimentalist Sybren Polet. De korte roman (iets meer dan 50 bladzijden) is het laatste deel uit de Lokien-cyclus van Polet, maar niet het beste. Weliswaar staan er mooie aforistische stukjes in (over ouderdom en tijd: ‘Hij is zich als het ware aan het uitrekken als elastiek, zonder terug te veren’), maar ook tal van onopvallende gedachten. Zo lezen we over de massamoorden van de 20ste eeuw, het al dan niet praten tegen planten en de parade van woest uitgedoste homoseksuelen bij de Canal Parade in Amsterdam. Of een flauwe paragraaf over de meerkeuzemenu’s van een telefoonseksbedrijf. Het derde niet-besproken boek op de longlist is het tamelijk conventionele debuut Ziekzoekers van Anne-Gine Goemans.

De keuze voor de boeken van Polet en Hüsgen maakt duidelijk dat de jury niet vies is van boeken die neigen naar experiment, boeken die je met een on-academisch breed gebaar onder de noemer postmodern zou kunnen scharen. Maar misschien is speelsheid een betere noemer: de schrijvers houden van een pleziertje, de lezer mag op het verkeerde been worden gezet.

Zelf deed de jury dat door doodleuk een stripboek op de longlist te zetten. Verder van Marc Legendre – over het gevaarlijke spel dat twee geliefden met elkaar spelen op een verder leeg eiland – is een spannende graphic novel, in beeld gebracht met gevoel voor weglating en suspense. Maar de nominatie van dit boek voor een literaire prijs kan ik alleen maar flauwekul vinden. Precies aan de taal in Legendres boek is namelijk niets te beleven: zijn karakters hebben een feilloos gevoel voor het slappere cliché: ‘Soms doet een mens dingen die niet uit te leggen zijn. Als hij verliefd is bijvoorbeeld.’

Speels en vrij van clichés is zeker een kenmerk van een van de gevestigde namen op de lijst, Atte Jongstra en zijn vrolijke mystificatie Henry II Fix. En zeker geldt dat voor Onderlangs van Paul Bogaers, een roman die geheel is samengesteld uit fragmenten van vergeten boeken als Moeder oerwoud van Attilo Gatti. Het resultaat is indrukwekkend, niet het minst door wat je ‘mozaïek-erotiek’ zou kunnen noemen: scènes waarin een vrouw zich langzaam uitkleedt. Doordat de zinnen waarin dat gebeurt uit verschillende boeken komen, lijkt het alsof de vrouw steeds weer in een andere vrouw verandert. Tegenover dat plezier staat dat Bogaers – noodgedwongen – veel vage zinnen gebruikt om de handeling aan elkaar te knopen: ‘Na een periode van ontspanning, kunnen we ons weer met vermeerderde kracht op de taak die we onder handen hebben, werpen.’

Ook de verhalen van D. Hooijer zijn speels, al zit de eigenzinnigheid bij haar meer in de merkwaardige mensen die Sleur is een roofdier bevolken dan in de vorm van de verhalen. Andersom is het bij de Grote Europese Roman van Koen Peeters, een in aanleg veelbelovende zoektocht naar identiteit door (associaties met) Europese steden. Het resultaat is echter verrassend vlak, aardige karakteriseringen van vrouwen (‘haar oogcontact was woest’) daargelaten.

Zo wankelen veel van deze boeken tussen opmerkelijke ambities en wisselende resultaten. Dat probleem zie je het sterkst bij het fascinerendste boek uit de lijst: De dood van een auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt van – inderdaad – Wouter Godijn. In deze raamvertelling vinden we de schrijver Wouter Godijn in het voorportaal van de dood, reeds in coma zelfs. De hoofdmoot van het boek bestaat uit vijf verhalen, in kwaliteit variërend van goed tot uitstekend. Dat dankt Godijn deels aan zijn stijl. Het volgende beeld van een man die bij zijn oude ouders op bezoek gaat zal mij nog lang bijblijven: ‘Nadat hij had aangebeld, tuurde hij door het matglas in de huisdeur. De woorden „allebei dood” bleven een ogenblik drijven, als twee vrolijke speelgoedeendjes, op het oppervlak van zijn gedachten, tot hij iets zag bewegen.’ Het is de aanzet tot een springerig, afwisselend komisch en ontroerend verslag waarin herinneringen aan de ouders en het heden door elkaar heen lopen.

Ook de andere verhalen zijn knap, vooral omdat ze aanvankelijk over verschillende personen lijken te gaan. In werkelijkheid hangen ze subtiel samen. Het spijtige van De dood van een auteur die... is echter dat de stervende auteur ‘Wouter Godijn’ tussen de bedrijven door steeds het woord neemt om een en ander zelf te becommentariëren. Dat zal bedoeld zijn als verdiepende ontregeling, maar het werkt als een nodeloze toelichting. Want waar de verhalen van Godijn precies het evenwicht houden tussen showing en telling, stort hij in die intermezzi een hoeveelheid aanvullende informatie en clous over je uit die je veel van je plezier weer ontnemen.

Het probleem van De dood van een auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt is een probleem dat je vaker tegenkomt bij schrijvers die zich nu nog aan postmoderne of anderszins ontregelende vormen wagen. Omdat het spel met de lezer de afgelopen honderd jaar zo vaak en zo vernuftig is gespeeld, kun je moeilijk nog van een experiment spreken. De verrassing heeft plaats gemaakt voor vertrouwdheid, om niet te zeggen verveling: kijk, daar neemt de schrijver het woord, ik bedoel ‘de schrijver’ die ons waarschuwt voor een autobiografische interpretatie. Maar is dat de schrijver wel of is het de dubbelganger van zijn alter ego? Enzovoort.

Deze Librislijst is geen afspiegeling van de heersende tendensen in de Nederlandse letteren – integendeel. De jury stelt zich juist op in de marge, zij aan zij met het vaak doodverklaarde experiment. Dat lijkt een keuze die niet vrij is van literaire ideologie. Voor de kwaliteit van de boeken op de lijst is het gevolg wisselend. De Librisjury is sterk in het opsporen van uitzonderlijke boeken, maar uitstekende boeken zijn het lang niet allemaal. Bizar is bovendien dat men Saskia de Costers roman Held – speels, uitzonderlijk en uitstekend – over het hoofd heeft gezien.

Blijft over de vraag hoe het verder gaat. Dinsdag worden de zes nominaties voor de prijs bekendgemaakt. Zelf zou ik Van der Heijden, Brouwers, Jongstra, Februari, Delpeut (Het vergeten seizoen is een prachtige roman over een pastoor tussen rede en religie) en Enter (Spel is vooral speels in de titel, maar erg goed) uitkiezen, maar dat zal deze jury niet buitenissig genoeg zijn.

Brouwers’ Datumloze dagen, Februari’s De literaire kring en Jongstra’s De avonturen van Henry II Fix zijn dat ongetwijfeld wel, net als óf Enter óf Delpeut. Dan is er nog een plaatsje over voor Hooijer of Hemmerechts. De zesde plaats op de shortlist is normaal gesproken voor Van der Heijden, maar die heeft de AKO-prijs al op zak, wat in zijn nadeel kan werken. Dan komen er ook anderen in beeld. Hüsgen lijkt me zelfs voor deze jury te veel van het goede, maar niemand moet gek opkijken als op 6 mei Wouter Godijn of Paul Bogaers aan het Librisdiner aanzit.

    • Arjen Fortuin