Hem kennen was hem bewonderen

De dood van Hugo Claus, afgelopen woensdag, maakte niet alleen België verdrietig maar ook Nederland. Twee schrijvers herdenken hem op deze pagina. Zijn oude vriend Cees Nooteboom vertelt hoe makkelijk het was om Claus een leven lang te bewonderen. Zijn jongere collega Marcel Möring prijst Claus’ bescheidenheid ‘die zijn grootsheid soms leek te verbergen’

Hugo Claus in 2007 Foto Vincent Mentzel Hugo CLAUS ,auteur. foto VINCENT MENTZEL/NRCH MEER FOTO`S IN PAPIEREN ARCHIEF Mentzel, Vincent

Ooit begint zoiets. Een schrijversvriendschap. De jongen uit Nederland, die van Vlaanderen niet veel meer weet dan hij ooit op een fietstocht heeft opgedaan, komt aan de Predikherenlei in Gent een vertrek binnen waar een jonge man met het hoofd van een Romein uit Oostakker achter een met goud versierde empire-tafel zit voor een grote kleurige muurschildering. Die eerste indruk blijft het heersende beeld, het schetst de verhouding, de hiërarchie. De oudere, de jongere. De oudere heeft, zo vroeg al, de habitus van een meester, ook al probeert hij daaraan zelf met ironie te ontkomen.

De jongere heeft gedichten geschreven die bij zijn leeftijd horen, die laten zien wie hij gelezen heeft, de poëzie van een voorbije periode. De oudere heeft een barokorgel tot zijn beschikking waar de nieuwe tijd doorheen waait, een hoge vorm van retorica, die te maken heeft met het land waaruit hij stamt, maar ook met een connaissance du monde die ver over de grenzen van dat land heengaat – een alchemistische mengeling van het landelijke en het wereldse, waarbij van lood goud gemaakt wordt.

Hij is geworteld in het Vlaamse, dat voor de ander dan nog exotisch is, en extreem aantrekkelijk. In België weten ze beter hoe het moet, zo lijkt het, en zo was het waarschijnlijk ook. Bij de radio heeft men een zekere reverentie voor een schrijver, en, een detail dat de jongere uit het zuinige Noorden niet kan ontgaan, er is meer zwier, en vooral ook ruimte, kamers als zalen in grotere huizen, een ruimte die je terugziet in de poëzie.

Dat is allemaal meer dan vijftig jaar geleden. De jongere die ik toen was, en ten opzichte van de andere altijd gebleven ben, heeft in een zwervend leven altijd weer die aanraking gezocht. Ik heb Hugo in een oneindige reeks woningen bezocht, in Nukerke, Gent, Antwerpen, een schrijver in het natuurlijke element van zijn wereld – geen reis naar Spanje zonder deze onderdompeling in een overvloed van maaltijden, spelletjes, roddels, de parafernalia van een veelzijdig oeuvre, een voortdurende stormvloed aan gedichten, toneelstukken, schilderijen, verhalen, romans, een dijkbreuk van creativiteit waarbij de eigen, zo andere aard en maat voortdurend op scherp gezet werd.

Overvloed is verleidelijk, men moet zeker weten wat men zelf is voor men dat van een ander kan verdragen, en het duurt een leven lang om dat alles te ontdekken. Waar het om gaat is de bewondering voor de ander in stand te houden. Dat klinkt als moeite, maar dat was het niet, het ging vanzelf, maar heeft ook te maken met de ruimte die een ander je laat. Daar hoorde natuurlijk bij dat je wist hoe je moest verliezen met pingpongen, dat je bij een woordspel waarin de laatste letter van de ene naam de eerste van een volgende moest worden, per definitie een nederlaag zou incasseren omdat er nooit een einde kwam aan de reeks obscure dichters, boksers, literaire pornografen en wielrenners die hij kende.

De vriendschap was ook een inwijding in veel wat tot dan toe buiten mijn bereik gebleven was: ik herinner me een bord grutjespap aan de met linoleum overdekte keukentafel van de kleine kruidenierswinkel van Zulma en Roger Raveel, hoppescheuten bij Niels aan de boulevard Emile Jacqmain in Brussel, een café met 91 Vlaamse jenevers ergens aan het water in Gent, de geheimen van stoefen met krijt en de baldadige spreuken en rijmen (‘treize, Thérèse, ne perd jamais’) die horen bij het pietjesbakspel met zijn broer Guido in de Hotsie Totsie, de hilarische verhalen over toneelspeelsters, de omeletten met twintig eieren in Nukerke, de bokswedsrijden waarbij ik zijn vader boven alles uit hoorde roepen dat den Hollander verslagen moest worden.

En de literatuur? Hadden we het daar over? Niet echt, denk ik nu. Het hoefde ook niet. Natuurlijk zag ik de altijd nieuwe titels die achteloos in zijn huizen rondslingerden, nooit gehoorde namen, onbekende reputaties, ook daarin een overvloed, een vluchtige encyclopedische overdaad die hij aan en uittrok als een jasje van Armani, merken, modes, en dan, als tegenbeweging altijd weer de terugkeer naar het klassieke, naar Dante en Cavalcanti, naar de Vlaamse ‘grote koppen’, opulentie, rijkdom, gebruikt om te toveren en betoveren, een wereld van literaire mondainiteit, getemperd door die andere wereld van de ‘mensen hiernaast’ en de terugkeer naar de bron, een tegenstelling waarin je van een sportcafé in Gent zo door kon lopen naar een palazzo in Rome of naar een disco in Los Angeles.

Deze woorden schreef ik een paar weken geleden. Er was mij gevraagd om terug te kijken naar het ogenblik dat Het verdriet van België verscheen, het boek dat de apotheose is van alles wat ik hieraan vooraf liet gaan, een boek over afkomst en Werdegang, dat ook een boek is over het land waarin het geschreven is, geschreven in een zelfbedachte taal die alle varianten van het Vlaams lijkt te hebben opgezogen en daarmee aan het Nederlands een draai heeft gegeven die onze taal nog lang zal heugen.

De verjaardag van Het verdriet van België had een groot feest moeten worden, maar over de gedachte aan een feest hing de schaduw van zijn ziekte, die hem de laatste jaren vergezelde. Alzheimer heeft geen geheimen meer, de kennis die wij er van hebben heeft de kracht van een onfeilbare voorspelling. Het is een vernietigende ziekte die niet meer loslaat, en die zich, zeker in het geval van een schrijver, langzaam maar zeker doorvreet en het centrum van zijn systeem, waar het geheugen woont en waar de woorden tot zinnen gevormd worden, ontregelt en vernietigt. Hugo kon niet meer schrijven, en vertelde daarover: de wreedheid van deze ziekte wil dat degene zich van het verloop van het proces bewust is, en het ook per dag kan volgen. Niet meer schrijven was voor hem onverdraaglijk. Anderhalf jaar geleden was de diagnose onontkoombaar: men vertelde hem niet alleen dat hij Alzheimer had, maar ook hoe lang hij het al had. Hugo was nobody’s fool, hij wist het al zonder het zeker te weten, en maakte er tegenover zijn vrienden grappen over. Ik herinner me dat wij samen in New York waren en gedichten zouden lezen in het Poet’s House. In de taxi liet hij zijn gedichten liggen. Zulke dingen gebeuren, later zijn die onaangename gebeurtenissen stof voor hilarische verhalen over verstrooidheid, maar in retrospect worden het dan tekens voor naderend onheil.

Soms zagen vreemden het beter dan de vrienden dichtbij, die zulke ogenblikken eerder onder afwezigheid rangschikten. De Mexicaanse dichter Homero Aridjis vertelde dat hij bij een poëziefestival in Guadalajara, waar Hugo zijn gedichten zoals altijd schitterend had voorgedragen met alle kracht van zijn retorische orgel, toch het gevoel had dat hij soms in een open ruimte wat verloren rondliep, alsof hij zijn kompas had verloren. De organisatie van het festival had daarop besloten zijn honorarium in zijn binnenzak te naaien, zodat hij er veilig mee thuis zou komen, een vertederend en poëtisch gebaar. Maar de gebeurtenis zelf geeft de bijtende tweeslachtigheid van de ziekte weer. In sommige dingen raakt iemand los van de praktische werkelijkheid, in andere is er volstrekte luciditeit, en het is vanuit die luciditeit dat Hugo nu ruim anderhalf jaar geleden aan zijn intieme vrienden heeft geschreven dat hij zelf, wanneer hij de zekerheid van de totale afbraak voelde naderen, het einde zou bepalen. Dat hing, sinds dat ogenblik, als een zwaard boven alles.

Hij was, dat wisten wij, te trots om als een fysiek overblijfsel van zichzelf door te leven. En hij was een man van uiterste consequentie. Daarmee kreeg alles, vanaf het ogenblik van dat besluit, een dubbele bodem van dood en leven, waaraan niemand van zijn vrienden kon ontsnappen. In die tijd maakte hij vier grote inkttekeningen bij een bibliofiele bundeling van een aantal van mijn gedichten, Overal licht. Hij kon niet meer schrijven, maar nog wel tekenen. Als ik nu naar die tekeningen kijk, wordt zijn ziekte alleen maar raadselachtiger. Ik herinner me zijn woede als hij iets wilde zeggen en hij het niet meer kon zeggen zoals hij het wilde. Maar die tekeningen zijn, ondanks het zwart van de inkt die hij gebruikte, van een Japanse kalligrafische lichtheid en uiterste verfijning. Juist die tegenstelling moet hem verdriet gedaan hebben, maar hij wilde daarover niet spreken.

Bij de presentatie van de bundel in Antwerpen kon hij er niet bij zijn, menigtes waren te veel voor hem, ontmoetingen het liefst in de intimiteit. En zo werden deze laatste weken een lange cérémonie des adieux, de vrienden die hij nog wilde zien kwamen, zijn vrouw Veerle maakte die avonden voor hem feestelijk, voor ons onvergetelijk. Zijn Antwerpse vrienden kwamen en gingen, er werd gedronken en soms gezongen, zijn ondeugendheid en gevoel voor humor waren intact, de ondertoon van het onvermijdelijke besluit hing om alles heen, het was tegelijkertijd melancholiek en vrolijk, hij was fragiel maar volstrekt aanwezig, nam deel aan de gesprekken, in de meest letterlijke zin compos mentis, wat wij allemaal wisten en dachten werd verder door blikken en gebaren uitgedrukt, hij nam, ik kan het niet anders zeggen, afscheid als een koning in zijn eigen domein, de grote ruimte met de schilderijen van Raveel en Vanriet. Wij wisten de dag en het uur dat hij gekozen had, het kneep je keel dicht, Veerle danste denk ik, deze avonden op het dunste ijs dat er bestaat, samen met Suzanne Holtzer van zijn uitgeverij De Bezige Bij hebben zij hem begeleid op de weg die hij soeverein had gekozen. Iedereen voelde innerlijk de klok die op dat ogenblik toeging en waarop hij zo alleen zou zijn als een mens maar zijn kan. Cavalier seul.

En nu? Ik kijk in mijn huis naar de tekening die hij ooit van Rimbaud maakte en van Walter Benjamin, naar de onafzienbare rij boeken met romans, gedichten, toneelstukken, een oeuvre dat in het landschap van de Nederlandse literatuur ligt als een bergmassief. Hij is er niet meer, hij heeft zijn werk alleen gelaten, het moet het nu zonder hem doen. Ooit, in 1983, maakte ik, samen met hem, een marathoninterview over Het verdriet van België. We spraken over het feit dat schrijvers ten minste één vorm van macht hebben, de macht om met hun verbeelding een wereld te maken die niet bestaat en toch geldig is, een wereld die is opgebouwd uit hun herinnering en hun verbeelding, die lijkt op de echte wereld, maar waarin zij de gebeurtenissen naar hun hand zetten en de mensen een naam geven. Dat boek, en al het andere dat hij geschreven heeft, die immense overvloed aan gedichten en verhalen, het is nu van de anderen, van zijn lezers. Als er iemand is die dat wist was hij het wel. Hij zei dat ooit zijn hele oeuvre op een zeef gelegd zou worden, waarna zou overblijven wat de moeite waard was. Hij was een maker, de postumiteit was niet zijn eerste zorg. Zijn afscheid heeft hij voltooid, zijn werk laat hij achter. De dag voor zijn dood belde hij nog één keer op, zijn stem schor, maar duidelijk. Toen we neerlegden moest ik denken aan die allereerste keer, nu zo lang geleden, de jonge man met de kop van een Romein aan zijn grote bureau voor de muurschildering van Asger Jorn. Hij is gegaan zoals hij geleefd heeft, een man van ni dieu, ni maitre. Hij hoefde geen meester, hij was er zelf een.

Cees Nooteboom (Den Haag 1933) is auteur van onder meer de romans ‘Philip en de anderen’, ‘Rituelen’ en ‘Allerzielen’ en de dichtbundels ‘Open als een schelp, dicht als een steen’ en ‘Overal licht’ (met tekeningen van Hugo Claus).

    • Cees Nooteboom