Geef ruimte aan nummer 2

De invoering van één stadsgezelschap per stad brengt de andere theatergroepen in de knel. Het zou wijs om hen te blijven steunen.

illustratie solkoschalm.nl toneelsubsidie solkoschalm.nl

Geruisloos heeft minister Plasterk het afgelopen najaar een geheel nieuw systeem voor subsidiering van de podiumkunsten ingevoerd. Het theaterveld, nooit te benauwd om kritiek te uiten, heeft de nieuwe plannen opmerkelijk breed gesteund. Maar nu de subsidies verdeeld moeten worden, komen de problemen boven tafel. Staat het Nederlandse theater een harde sanering te wachten?

Het overheidsbeleid ten aanzien van het theater rustte de laatste decennia op twee pijlers: 1) de scheiding tussen gezelschappen en schouwburgen en 2) de wens om ruimte te creëren voor nieuwe gezelschappen. Dit beleid heeft het typisch Nederlandse, rijke en gevarieerde podiumkunstenlandschap doen ontstaan, met veel gezelschappen, enkele grote en een heleboel kleine, die hun producties in zalen door het hele land tonen. Het afgelopen jaar heeft de Tweede Kamer echter enkele besluiten genomen die de koers radicaal verleggen. Het streven is nu om op acht plekken in het land zogenaamde stadgezelschappen te laten ontstaan uit combinaties van schouwburgen en grote gezelschappen, die de dragers moeten worden van de toneelcultuur. Zij moeten zich lokaal sterk manifesteren, een groot publiek aan zich binden en de verantwoordelijkheid nemen voor het inwerken van nieuwe generaties theatermakers. De ruimte voor nieuwe gezelschappen wordt tegelijk beperkt. Jonge theatermakers moeten een plek vinden bij een van de stadsgezelschappen of bij een productiehuis, kleinere organisaties, eveneens in de grote steden, die primair een opleidingsfunctie hebben. Al wie niet past in deze structuur kan zich voor een subsidie wenden tot een (nieuw) ‘superfonds’ voor de podiumkunsten, met dien verstande dat dit fonds er niet is voor absolute beginners.

De motieven voor deze wijziging zijn sterk. De grote groei van het aantal toneelgezelschappen heeft geleid tot een versnippering, die de herkenbaarheid niet ten goede is gekomen. Hoewel harde cijfers ontbreken, bestaat de indruk dat de grote gezelschappen met name buiten de eigen standplaats steeds minder publiek bereiken. Het circuit van kleine zalen bloeit weliswaar, maar ook hier is het voor het publiek lastig om door de bomen het bos te zien, waardoor doorbraken uitblijven. Misschien wel het grootste probleem is dat er weinig verbinding bestaat tussen het grote en het kleine circuit. De malaise van het grotezalentoneel wordt niet opgevangen door de instroom van nieuw talent. De nieuwe structuur lijkt vooral opgezet om oude en nieuwe makers te dwingen meer met elkaar samen te werken en zo een revitalisering van de grote gezelschappen te bewerken.

Dit voorjaar worden de subsidies volgens het nieuwe systeem verdeeld. Daarbij komen fricties in beeld. Ten eerste gaat de vorming van stadsgezelschappen moeizaam. Schouwburgen en gezelschappen in de grote steden zouden meer moeten samenwerken, liefst één organisatie vormen. Dat laatste gaat nergens gebeuren. Op een paar plekken (Amsterdam, Den Haag) is een hechte samenwerking in de maak, maar daar bestond die in feite al. In andere steden zijn mooie intenties geformuleerd, maar dat is het. Buiten de drie grote steden houden de schouwburgen vast aan hun brede taak. Zij willen en kunnen niet plotseling meer ruimte geven aan het eigen stadsgezelschap.

Een specifiek probleem doet zich voor in steden waar meer dan één groot gezelschap is gevestigd. Daar hadden fusies moeten plaatsvinden, zodat er instellingen waren ontstaan die de brede taak van het stadsgezelschap aankunnen. Die fusies zijn er niet gekomen. Wat betekent dat voor het tweede gezelschap in de stad? De Appel (Den Haag) en OT (Rotterdam) hebben eieren voor hun geld gekozen. Zij vragen subsidie aan via het nieuwe fonds voor de podiumkunsten. De Theatercompagnie in Amsterdam is de strijd aangegaan. Zij dingt naar een positie als tweede stadsgezelschap. Wat gaat er gebeuren met die tweede stadsgezelschappen? Zal het fonds hun aanvragen honoreren? Dat zal afhangen van de financiële ruimte bij het fonds. En die hangt weer af van hoeveel extra geld de eerste stadsgezelschappen van de minister krijgen. Als dat laatste uitblijft komt er van het hele vernieuwingsplan niets terecht. Als het wel gebeurt komen de ‘tweede gezelschappen’ met al hun ervaring en expertise in de knel. De Theatercompagnie heeft gelijk als ze beweert dat ze een goede aanvulling is op het werk van Toneelgroep Amsterdam. Samen zouden ze een perfecte match vormen, het ideale stadsgezelschap eigenlijk. Beide hebben echter ervoor gekozen (vooralsnog?) zelfstandig te blijven. Betekent dat nu dat een van hen moet wijken? Het zou van wijsheid getuigen als in Amsterdam het experiment werd aangegaan om beide grote gezelschappen de opdracht te geven, zoveel mogelijk in gezamenlijkheid, vorm te geven aan een nieuw elan voor het grotezalentoneel.

Het tweede probleem is diffuser. Het betreft al die gezelschappen en onafhankelijke makers die geen plek vinden in de nieuwe structuur. Hun toekomst wordt met de dag onzekerder. Het leek zo helder. Jongeren kunnen kiezen voor de productiehuizen of de stadsgezelschappen Voor reeds gevestigde makers is er het fonds. Maar de productiehuizen hebben onlangs de alarmklok geluid. Zij spelen een voorname rol in de nieuwe plannen, maar over de financiële consequenties daarvan lijkt niet te zijn nagedacht. Ook hier wacht men op het beleid van het nieuwe fonds. Intussen begint al wel tot iedereen door te dringen dat er weinig geld is – op veel plekken minder dan de afgelopen periode – en dat alle nieuwe plannen gebaseerd waren op een verwachting van meer geld. In plaats van een verbeterde doorstroming lijkt velen een rappe uitstroom te wachten te staan.

Het Nederlandse toneel is sterk in zijn brede basis, maar het mist boegbeelden. Enkele echt grote gezelschappen, goed lokaal verankerd in de grote steden, zouden het toneel maatschappelijk meer aanzien en daarmee draagvlak geven. Wat we nu meemaken is echter het gevolg van een tekentafelbeleid, goed in zijn intenties, maar weinig doordacht naar de praktijk. Wild snoeien is daarvoor niet de methode. Waar zoveel moois bestaat moet behoedzaam worden opgetreden.

Oud-directeur Theater Instituut NederlandDocent kunstbeleid Universiteit van Utrecht