En de wereld liet Saddam rustig zijn gang gaan

Joost Hiltermann: A Poisonous Affair. America, Iraq, and the Gassing of Halabja. Cambridge University Press, 314 blz. € 34,–

Joost Hiltermann: A Poisonous Affair. America, Iraq, and the Gassing of Halabja. Cambridge University Press, 314 blz. € 34,–

Er was in 2003 één volkenrechtelijk legitieme reden om Saddam Hoessein uit het zadel te lichten: de stelselmatige volkerenmoord die hij in 1987 en 1988 tegen Koerden en andere minderheden in het noorden van Irak had uitgevoerd, de zogeheten Anfal-operaties. Zinnebeeld van deze volkerenmoord is de chemische aanval op Halabja, in maart 1988. Die aanval, waarbij 5.000 Koerdische burgers stierven, vormde een niet mis te verstane waarschuwing aan Koerdische guerrilla’s en Iraanse soldaten die kort tevoren de stad hadden bezet.

In zijn belangwekkende A Poisonous Affair probeert Joost Hiltermann de precieze toedracht van deze maartdag te achterhalen, en de mate van Amerikaanse kennis van, en medeplichtigheid aan, Halabja en de Anfal te bepalen. Hij heeft als weinig anderen recht van spreken. Niemand heeft meer gedaan dan hij om de aard en omvang van de Anfal-operaties aan te tonen. De resultaten van zijn onderzoekingen, in 1993 gepubliceerd door Human Rights Watch, leverden voldoende belastend materiaal om een tribunaal bij het internationale gerechtshof in Den Haag te beginnen; maar geen land durfde deze zaak te steunen.

Hiltermanns bevindingen zijn onthutsend. Ten aanzien van de precieze toedracht van de aanval op Halabja biedt hij weinig nieuws. Bovendien leunt zijn beschrijving erg sterk op de memoires van Sjewket Haji Musjir, een plaatselijke Koerdische guerrillacommandant, wiens rol niet onomstreden is. Zijn hoofdonderwerp is ook eerder het Amerikaanse Irakbeleid dan die aanval. De toenmalige regering van Ronald Reagan wist dondersgoed dat Irak op grote schaal chemische wapens gebruikte en Koerdische dorpen verwoestte; erger, ze hield welbewust Saddam de hand boven het hoofd, en wist zo veroordelingen door het Amerikaanse congres en een boycot van Irak te voorkomen.

Terecht wijst Hiltermann op het cynisme van toenmalige beleidsmakers, deels dezelfden die in 2003 de Irak-oorlog zouden propageren, zoals Dick Cheney en Donald Rumsfeld. Het is goed en belangrijk dat hij te midden van alle hype en propaganda rondom Irak de feiten weer boven water haalt. Toch richt hij zich net iets te sterk op Amerika; zo dreigt hij onbedoeld de misleidende suggestie te versterken dat alleen Amerika Saddams misdaden had kunnen voorkomen en er dus medeverantwoordelijk voor is geworden. Maar ook andere staten, zoals de Sovjet-Unie, Frankrijk en Duitsland lieten oogluikend toe dat Irak alle internationale regels overtrad; en ook Nederlanders zoals de onlangs veroordeelde Frans van Anraat bleven vrolijk chemicaliën aan Irak verkopen. Niet alleen Amerika heeft ten aanzien van Irak gefaald, maar de hele internationale gemeenschap.

    • Michiel Leezenberg