Duits aandeel in de NAVO

Het is al weer een halve eeuw geleden dat W.L. (Bubi) Brugsma zijn lezers geruststelde omtrent de Duitse herbewapening. Als verslaggever op bezoek bij de jonge Bundeswehr had hij geconstateerd dat de rekruten het marcheren niet onder de knie kregen: de demonstratiecompagnie had voortdurend uit de pas gelopen. De Gänzeschritt was samen met de Pruisische kadaverdiscipline die de Wehrmacht hadden gevormd uitgebannen. Het was ook voor de bondsrepubliek de tijd van de burger in uniform.

In de loop van tientallen jaren Atlantische militaire integratie is in dit beeld geen verandering gekomen. Sinds het einde van de Koude Oorlog heeft de NAVO zich ontwikkeld tot een alliantie van snel inzetbare beroepslegers, Duitsland heeft nog steeds zijn logge armee van dienstplichtigen als een molensteen om de nek hangen. Out of area-optreden eist de nieuwe NAVO-strategie, operaties buiten het bondgenootschappelijke gebied – zoals in Afghanistan. Zwaarbewapende dienstplichtigenlegers lenen zich niet voor snelle interventies ver van huis.

Er is meer. Ook de zogeheten humanitaire interventie heeft een ontwikkeling doorgemaakt. In de plaats van peacekeeping is de vechtmissie gekomen waarbij de interveniërende troepen zich niet langer beperken tot het gescheiden houden van oorlogvoerende partijen, maar juist partij kiezen. De aanpak in Afghanistan is daarvan een sprekend voorbeeld.

Maar er is een uitzondering: de Duitse deelname aan de NAVO-operatie daar beperkt zich tot bescherming van civiele opbouwmissies in een relatief rustig gebied. Dat nu wordt de Duitsers kwalijk genomen, speciaal door landen die van het bestrijden van de Talibaan hun dagelijks werk hebben gemaakt. Het klinkt als een historische paradox, maar de partners vinden de Duitsers tegenwoordig niet vechtlustig genoeg.

Als op een schaal van 1 tot 5 de Duitsers onderaan staan, staan de Amerikanen bovenaan. Zij willen van de NAVO-interventie in Afghanistan een geoliede militaire machinerie onder centrale leiding maken die niet gestoord wordt door politieke ‘caveats’ van de verschillende deelnemers. Afghanistan moet vervolgens model staan voor interventies elders in de wereld. Voor het bewandelen van een Duitse Sonderweg zou dan geen gelegenheid meer zijn.

Een conflict tussen beide uitersten is nauwelijks te vermijden. Op de topconferentie van de NAVO begin volgende maand in Boekarest dreigt dat conflict tot een uitbarsting te komen. Het maartnummer van het maandschrift Internationale Politik van de Deutsche Gesellschaft für Auswärtige Politik neemt daarop een voorschot en wijdt onder de verzameltitel Auslaufmodell NATO? een themanummer aan de toekomst van de in de gevarenzone verkerende Atlantische Verdragsorganisatie.

Het vraagteken in de titel maakt dat we met deze publicatie nog alle kanten opkunnen. Ook een Nederlandse bijdrage heeft een titel met een vraagteken: Friedensstifter oder Fachidiot? Allengs wordt bij lezing van deze beschouwing echter duidelijk dat de auteur, Peter van Ham, van het instituut Clingendael, het niet bij die vraag laat. In vier korte hoofdstukken schetst hij waarom de NAVO als een oude soldaat weliswaar niet sterft maar geleidelijk verdwijnt en langzaam maar zeker haar betekenis verliest voor de uitdagingen van de transatlantische veiligheid.

De organisatie raakt volgens Van Ham overbelast door nieuwe opgaven, uitbreiding met nieuwe lidstaten en interventies zonder haar structuur en de beschikbare middelen te hebben aangepast. Een van de grootste voordelen, de solidariteit tijdens de Koude Oorlog, is verwaterd in een losse samenhang van gelijkgezinde staten.

Tegenover de vele taken die interventies opleggen kan de NAVO alleen militaire middelen ter beschikking stellen. Tenslotte heeft de Amerikaanse voorkeur voor gelegenheidscoalities een domper gezet op wat er na de ramp van 11 september 2001 bondgenootschappelijk mogelijk was geweest. Van Ham voorspelt voor de NAVO het einde van haar klassiek bondgenootschappelijke structuur. Zij zal naar Amerikaans recept meer en meer het karakter krijgen van een coalition of the willing.

Van Ham raakt aan de kern van het vraagstuk. Maar daarmee is niet alles gezegd. Het hoofdprobleem voor de Atlantische veiligheid is niet de NAVO als organisatie, maar de richting die zij wordt uitgestuurd door de althans militair machtigste bondgenoot, de Verenigde Staten.

De NAVO leed altijd al onder een bepaalde dubbelzinnigheid. Haar militaire organisatie had een politieke koepel. De Gaulle kon de militaire organisatie verlaten zonder Frankrijks plaats in de politieke koepel op te geven. Tegelijkertijd was er een militair automatisme ontstaan waarop onder oorlogsomstandigheden nauwelijks nog politieke controle zou kunnen worden uitgeoefend.

Achter de Amerikaans-Duitse tegenstellingen gaat meer schuil dan alleen een conflict over de geringe Duitse bereidheid met scherp te schieten. Het gaat om de invloed van het belangrijkste Europese land, en daarmee van alle Europese landen, ieder voor zich en gezamenlijk, op de Atlantische besluitvorming.

Besluiten laten nemen door toevallige coalities die zich vervolgens het NAVO-embleem laten opspelden is niet iets waarvoor Europese landen zouden moeten kiezen. In Boekarest staat dus veel op het spel. Burgers in uniform, dat idee heeft veel van zijn aantrekkelijkheid behouden.

J.H. Sampiemon is medewerker NRC Handelsblad

Reageren kan op nrc.nl/Sampiemon. Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.

    • J.H. Sampiemon