De Nobelprijs? Ik?

De dood van Hugo Claus, afgelopen woensdag, maakte niet alleen België verdrietig maar ook Nederland. Twee schrijvers herdenken hem op deze pagina. Zijn oude vriend Cees Nooteboom vertelt hoe makkelijk het was om Claus een leven lang te bewonderen. Zijn jongere collega Marcel Möring prijst Claus’ bescheidenheid ‘die zijn grootsheid soms leek te verbergen’

Hugo CLAUS ,auteur,etc. foto VINCENT MENTZEL/NRCH MEER FOTO`S IN PAPIEREN ARCHIEF Mentzel, Vincent

Oktober 1995 moet het zijn geweest, toen we twintig man en vrouw sterk Spanje gingen veroveren. We waren ondergebracht in een prachtig hotel in Barcelona, tegenover de kathedraal, en het leven was een feest. Het weer was zacht, het eten was heerlijk, de wijn goed. Ik herinner mij nog een statig diner op de koninklijke zeilclub en dat Harry Mulisch tegen mij zei dat een das een pak structuur geeft en dat ik desondanks met open boord ging, omdat dassen mij nu eenmaal niet staan.

Op een ochtend was het ineens drukker dan anders aan het ontbijt. Er zwermden fotografen rond en cameraploegen deden nerveus in de lobby. Pas na een tijdje kwamen we er achter dat het Nobelprijs-dag was en dat iedereen om de een of andere reden zeker wist dat dit het jaar was: Hugo Claus kreeg ’m.

Hugo en zijn vrouw Veerle probeerden te doen alsof er niets aan de hand was, maar dat lukte niet met de pers op de hielen, en zo trok het paar zich in de loop van de ochtend terug op de hotelkamer. Daar verzamelde zich een groepje intimi. Om onduidelijke redenen behoorde ik daar op dat moment ook bij, hoewel ik Claus niet zo goed kende. Daar was ik veel te verlegen voor. Ik geloof dat ik hem toen ook nog met de bewondering van een jonge collega ‘U’ noemde.

In de kamer bevonden zich een stuk of tien mensen, die zich rondom Hugo en Veerle op de vloer en op stoelen verzamelden. Ik zat bij de deur, die ik om de paar minuten opende als er weer eens werd aangeklopt. Dan zei ik tegen een journalist of een opdringende cameraploeg dat mijnheer Claus niet te spreken was. Er werd wat geginnegapt om de gekte van de pers. Het meest nog door Claus zelf, die het geheel als een wat genante grap leek op te vatten. Hij bracht Louis Paul Boon in herinnering en hoe die jaarlijks had geleden, werkelijk geléden, onder de aanhoudende verwachting dat hij de Grote Prijs zou krijgen. Dat zou hem niet overkomen, zei hij, en met een wat malicieuse twinkeling in zijn ogen belde hij de lobby en liet champagne boven brengen.

De rammelende serveerwagen met koeler had op de verzamelde pers, die in de gang voor de kamer was aangegroeid tot een kleine belegering, het effect van een afrodisiacum. De drukte en nervositeit steeg tot ongekende hoogten en er werd zo vaak aangeklopt dat ik de deur maar niet meer opendeed.

Binnen ontkurkte Hugo Claus de champagne, zich merkbaar bewust van het effect dat het knallen van de kurk en ons juichen moest hebben op de wachtende journalisten. Tom Lanoye legde verbinding met de thuisbasis om een directe lijn naar ‘het nieuws’ te hebben en wij dronken en rookten. Claus zat tussen ons, meest jongere collega’s, in en leek wat verlegen met alle aandacht.

Leek? Nee, hij wás verlegen. Dat weet ik wel zeker. Een paar jaar daarvoor was ik hem daags na een Poetry International-avond tegen het lijf gelopen. Ik had hem die avond aangekondigd en in mijn enthousiasme over zijn nieuwe bundel, De sporen, had ik mij nogal laten gaan.

‘Waarom deed je dat nou?’ vroeg hij, die volgende ochtend.

‘Maar, mijnheer Claus...’ zei ik, om vervolgens hakkelend en stotterend uit te leggen hoe goed ik die bundel vond en...

Hij leek even verbaasd als verlegen.

Ik had nog wel meer willen zeggen. Dat ik Het verdriet van België tot de grootste romans uit de Nederlandstalige literatuur rekende. Dat ik hem, ondanks mijn gebrek aan talent voor bewondering, zag als een voorbeeld. Dat ik niemand kende met zijn palet, zijn vrijheid en veelzijdigheid. Dat ik niet begreep waarom men het altijd had over De Grote Drie in plaats van over De Grote Twee (hij en Mulisch). Dat ik hoopte dat hij ooit de Nobelprijs zou krijgen en hoe rechtvaardig dat zou zijn en...

Twee jaar later zaten we dan op die prijs te wachten, in een Spaanse hotelkamer waar de rook steeds dichter om ons heen hing en de champagne op raakte. Ik stuurde nog een televisieploeg weg, iemand kwam met het gerucht dat op het stadhuis van Barcelona alles in gereedheid was gebracht om de laureaat te ontvangen.

Toen sloeg het middaguur en bleek Seamus Heaney de gelukkige te zijn. Claus leek opgelucht

Een half uur later openden we de deur en was de gang voor de kamer leeg.

Ik ben Claus nadien nog meermalen tegengekomen, maar ik heb hem nooit durven zeggen wat ik destijds ook al niet durfde te zeggen: dat ik hem waarlijk bewonderde, niet alleen vanwege zijn werk, maar ook vanwege zijn bescheidenheid die zijn grootsheid soms leek te verbergen.

Marcel Möring (Enschede 1957) is auteur van onder meer ‘Mendels erfenis’, ‘Het grote verlangen’, ‘In Babylon’ en ‘Dis’.

    • Marcel Möring