De eerste projectontwikkelaar

Tot voor kort gingen de neogotische kerken van Pierre Cuypers tegen de vlakte. Nu geldt hij als een prominent architect, ondanks zijn inconsequente, laat ons zeggen, flexibele werkwijze.

Ongedateerd portret van Cuypers door Bramine Hubrecht Afbeeldingen uit besproken boek

A.J.C. van Leeuwen: Pierre Cuypers. Architect 1827-1921. Waanders, 344 blz. € 39,90.

Lange tijd was het werk van de katholieke architect Pierre Cuypers het onderwerp van algemene spot. Zelfs de tot het katholicisme bekeerde Gerard Reve, toch gevoelig voor de pracht en praal van katholieke hoogmissen en priesters in vol ornaat, moest weinig hebben van Cuypers’ neogotische kerken. Cuypers’ Vondelkerk in Amsterdam, waar hij in 1969 feest vierde vanwege de uitreiking van de P.C. Hooftprijs, noemde hij ‘aandoenlijk lelijk (Centraal Station Rijksmuseumstijl)’. Hij zag er een soort ‘Dom van Keulen’ in ‘maar dan gebouwd van lucifershoutjes door invalide mijnwerkers.’

Twintig jaar later was er iets veranderd in de waardering van Cuypers’ werk. Terwijl in jaren zestig en zeventig veel neogotische Cuypers-kerken nog meedogenloos waren gesloopt, bleef de Vondelkerk in de jaren tachtig behouden dankzij de inspanningen van de gelijknamige stichting.

Maar de liefde voor Cuypers was nog niet algemeen. In 1989 betreurde columnist Jan Blokker in de Volkskrant dat de Vondelkerk niet was gesloopt. Volgens hem was het behoud van gedrochten als deze kerk niets anders dan ‘roestvorming van oneigenlijke sentimenten’ die ‘onze smaak langzaam maar zeker uithollen.’ Cuypers’ Centraal Station in Amsterdam noemde hij in dezelfde krant ‘oudbakken, meiderige namaakgotiek.’

Maar weer twintig jaar later valt er bijna geen onvertogen woord meer over Cuypers’ gebouwen. Zijn hoofdwerk, het Rijksmuseum in Amsterdam, wordt nu zelfs zo gewaardeerd dat het bij de huidige verbouwing wordt ontdaan van de witte pleisterlagen die de oorspronkelijke beschilderingen decennialang hebben bedekt. Er is nu zelfs, zonder veel aanleiding, een Pierre Cuypers-jaar aan de gang dat in mei 2008 wordt afgesloten met een musical in Roermond, de stad waar hij werd geboren en waar zijn verbluffende carrière begon.

In het Cuypers-jaar 2007-2008 zijn verschillende boeken over de architect en zijn werk verschenen. Hiervan is de rijk geïllustreerde biografie Pierre Cuypers, architect (1827-1921), waaraan A.J.C. van Leeuwen jarenlang werkte, het meest omvattend. Deze geeft een beter beeld van Cuypers dan het tegelijkertijd verschenen P.J.H. Cuypers (1827-1921). Het complete werk. Dit laatste boek bevat weliswaar een opsomming van alle stukken uit het Cuypers-archief van het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam, maar biedt met essays over deelaspecten van het oeuvre, zoals Cuypers’ fotocollectie,een gefragmenteerd beeld van de belangrijkste 19de- eeuwse architect van Nederland.

Van Leeuwen beschrijft Cuypers leven in drie delen: ‘Relaties’, ‘Ruimte’ en ‘Tijd’. Het zijn een soort evangeliën, die hetzelfde leven steeds opnieuw, maar anders vertellen. Een gouden greep, want zo doorbreekt Van Leeuwen de strikte chronologie waarbij saaiheid altijd op de loer ligt.

In ‘Relaties’ gaat het vooral om het leven van Cuypers als ondernemer, echtgenoot, vriend, huisvader en politicus. Hierbij schuwt Van Leeuwen de saillante details niet. Zo vertelt hij over Cuypers’ tweede vrouw, de zangeres Nenny Alberdingk Thijm, die zo devoot katholiek was dat zij na de huwelijksvoltrekking als een non wilde leven en geen seksuele omgang wilde hebben met haar echtgenoot. ‘Haar liefde tot Jezus was zoo groot dat zij meende daarmee God aangenaam te zijn’, zo citeert Van Leeuwen uit een brief van Cuypers. ‘Toen ik echter er op wees dat God ons geschapen had en in liefde vereenigde om ook kinderen op te voeden te zijner eere, toen berustte zij daarin, maar wij bleven wel 14 dagen samen zonder ons te vereenigen.’

Het eerste deel van de biografie over het persoonlijke leven verklaart het succes van Cuypers, die er als devoot katholiek in slaagde om de belangrijkste architect van het protestantse Nederland te worden. Cuypers was niet alleen een van de eerste architecten die een groot, op moderne leest geschoeid bureau opzetten, maar hij was ook een projectontwikkelaar, een beroep dat in de 19de eeuw nog niet bestond. In de Amsterdamse Vondelstraat bouwde Cuypers op eigen risico huizen en zelfs een kerk en werd zo rijk. Maar bovenal was hij, ook heel modern, een netwerker die nauwe banden onderhield met onder anderen de hoge ambtenaar Victor de Stuers die hem belangrijke opdrachten als het Rijksmuseum en het Centraal Station in Amsterdam bezorgde.

In ‘Ruimte’, geeft Van Leeuwen een overzicht van Cuypers’ gebouwen, van zijn vroege werken in Roermond uit de jaren vijftig van de 19de eeuw tot de Engelse kerk in Vlissingen uit 1914. In dit deel laat hij bijvoorbeeld zien dat, anders dan Jan Blokker denkt, de stijl van het Centraal Station (en het verwante Rijksmuseum) niet neogotisch is, maar oud-Hollands. Ondanks zijn fanatiek beleden geloof was Cuypers een flexibele architect die begreep dat hij voor grote openbare gebouwen moest afzien van neogotiek waaraan hij bij zijn tientallen katholieke kerken de voorkeur gaf.

In ‘Tijd’ gaat het ten slotte over de omgang van Cuypers met het verleden. Voor Cuypers was de 13de-eeuwse Franse gotiek de beste bouwkunst die de geschiedenis had opgeleverd. Hij beschouwde de gotiek niet alleen als het product van een gouden tijd waarin het katholieke geloof door alle West- en Midden-Europeanen werd aangehangen, maar ook als een door en door rationele bouwkunst. Dit laatste had Cuypers niet zelf verzonnen, maar had hij, zoals bijna al zijn opvattingen over architectuur, van een buitenlandse architect, de Franse neogotische Eugène Viollet-le-Duc. Diens mantra ‘elke vorm die niet voortkomt uit de constructie moet worden verworpen’, werd de leidraad van zijn werk.

Jammer genoeg heeft Van Leeuwen weinig oog voor de paradoxen in Cuypers werk. Voor de Cuypers die het ene zei, maar het andere deed, is weinig plaats. Zo beleed de irrationele katholiek Cuypers weliswaar keer op keer zijn geloof in het rationalisme van de gotiek en werd hij zo de voorloper van de modernisten met hun ‘form follows function’, maar zijn gebouwen laten, net als de 13de-eeuwse gotiek, vaak iets anders zien. Kasteel De Haar gaf hij bijvoorbeeld een dak van beton en ijzer, maar doordat hij dit liet bedekken met met een houten tongewelf is ‘constructieve eerlijkheid’ hier ver te zoeken.

Ook aan de ironie dat een architect die in alle opzichten verlangt naar een ver verleden, als de vader van de moderne architectuur wordt beschouwd, maakt Van Leeuwen weinig woorden vuil. Voor hem is het simpele gegeven dat Cuypers gebruik maakte van nieuwe bouwtechnieken en zo toch iets anders maakte dan 13de-eeuwse gotiek, genoeg om zijn werk als eigentijds te beschouwen.

Op zichzelf is dit een redenering waar geen speld is tussen te krijgen, maar toch doet het geen recht aan de complexiteit van Pierre Cuypers: de reactionair die naar de toekomst wees, de irrationele mysticus die hield van rationalisme en de fanatieke katholiek die de belangrijkste architect van het calvinistische Nederland werd. A.J.C. van Leeuwen gelooft Cuypers te veel op zijn woord en reduceert hem zo toch te veel tot de katholieke bouwmeester waaraan de Blokkers van deze wereld zo gemakkelijk een hekel kunnen hebben.

    • Bernard Hulsman