De dichter en de dood

Zou Hugo Claus z’n laatste glas champagne geheven hebben op de scheidende Guy Verhofstadt? Hij zou er een ultiem politiek gebaar mee hebben gemaakt. De kans dat hij in de paar laatste heldere momenten van zijn leven nog weer naar een christen-democratische regeringsleider had moeten opkijken wilde hij niet meer riskeren. Als het vleesgeworden verdriet van België zou Yves Leterme hem te veel zijn geweest. Hij ging de ene, de definitieve kant op. Verhofstadt schijnt nog even naar Italië te gaan.

Ze mochten mekaar graag, die twee. Dat alleen al pleit voor het formaat van de liberale eerste minister. Den Uyl was volgens mij de laatste premier op het grondgebied van de Benelux die verzen uit zijn hoofd kende. Thorbecke moet wat Nederland betreft de voorlaatste zijn geweest. Bij Den Uyl waren de meeste van zijn dichters overigens al dood, ofschoon Remco Campert nog op zijn begrafenis was, en een vers aan hem wijdde onder de prachtige titel Drs. te Buitenveldert. In een documentaire bij de IKON hoorde ik de gewezen doctorandus deze week nog weer eens het vers opzeggen waarin hij waarschijnlijk het absolute ideaal van poëzie zag, en dat hij in de loop van zijn carrière ook langzamerhand moet hebben stukgeciteerd: De Ceder van Han G. Hoekstra.

Geen sociaal-democratische vergadering kon voorbijgaan, geen jubileum in het Willem Dreeshuis, geen manlijk richtingendebat en geen ernstige crisis, of Den Uyl liet een lichte galm in zijn keel toe, en declameerde alsof hij uit Psalmen zou gaan voorlezen:

Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,

Gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen

Een mooi, stemmig, beetje vooroorlogs gedicht, daar gaat niets van af. Maar als je het voor de dertigste keer had gehoord van een stem die klonk alsof de regels er in gehamerd moesten worden, leek de glans er enigszins van af.

Maar altijd natuurlijk beter dan de minister-president die zich eens tot een van de grootste schrijvers van zijn taalgebied wendde om hem iets te vragen, en die schreef: ‘Ik bedoel te zeggen dat ik op zoek ben naar het adres van de Nederlandse intelligentsia. Maar ik weet niet goed waar ik moet zijn. Daarom schrijf ik deze brief aan u.’

De premier in kwestie zocht intellectuelen die hem weer een spiegel voor wilden houden, want vroeger in de kunst deden ze dat ook altijd zo aardig. ‘Ik heb een hoge dunk van cultuur’, ondersteunde hij zijn verzoek met alle schaapachtigheid die in hem zat. ‘Vandaar mijn vraag. Mijnheer Mulisch, waar is het maatschappelijk engagement van intellectuelen, schrijvers en kunstenaars gebleven?’

Wim Sonneveld heeft in een conference nog eens verteld hoe hij werd aangesproken door een Amsterdamse glazenwasser, die zei: ‘En daarom vraag ik u af, meneer Sonneberg, waar is tot op heden de oude Amsterdamse humor gebleven?’

Harry is kort na ontvangst van de schriftelijke hulpvraag blijkens een item in het Journaal nog bij de afzender op bezoek geweest, al dan niet om hem uit te leggen waar tot op heden zijn maatschappelijk engagement was gebleven. Dat zou ik nooit hebben gedaan, als ik hem was geweest. Hugo ging ook niet naar Verhofstadt toe. Verhofstadt kwam naar Hugo, zoals Alexander naar Aristoteles kwam, en Frederik naar Voltaire, en Charles de Gaulle naar Sartre.

Het is een raar land, België. Maar ze liepen vijf jaar geleden niet blind achter de kruistocht van Bush aan. Hun rechts is in vergelijking met de falangisten van Wilders en Verdonk eigenlijk een betrekkelijk net parlementair gezelschap. En ze hebben negen jaar de luxe gekend van een intelligente premier en een groot schrijver.

Dan heb je toch wat gehad.

Lees alle columns van Blokker op nrcnext.nl/blokker