De cellenfabriek

Het beeld duikt in bijna elke tearjerker of B-film op; een moeder die leunend tegen de deurpost met natte ogen naar haar slapende kind staart. Meestal verschijnt er ook nog een blonde, gebronsde vader, die een gemanicuurde hand op de schouder van zijn echtgenote legt en haar een ‘wat hebben we het toch goed’ blik toewerpt.

Ook ik ga elke avond even kijken hoe mijn slapende kinderen erbij liggen. In dochters kamer heerst rust. Het licht van het bedlampje, schijnt op haar volmaakte wang. Haar knuffelpoes houdt ze stevig tegen zich aangedrukt. Als ik op de bedrand ga zitten opent ze haar ogen, strekt haar armpjes uit, fluistert, „mamma!”, alsof ik een godsgeschenk ben en slaapt dan probleemloos verder. In zoons kamer hangt een andere sfeer. Hier wordt – ook ’s nachts – gewerkt. Heet is het er, ook al is het buiten min twee en staat de verwarming nooit aan. Het ruikt er naar ijzer en zweet. Daar ligt het zakje bloed en botten, dat ooit zo moeiteloos achter mijn darmen paste. Goed, ik moest een paar speciale broeken aanschaffen en basketballen ging na de zesde maand niet meer, maar toch. Tamelijk moeiteloos.

Inmiddels is dat zakje een zoon van 1 meter twintig. Zijn blonde haar plakt aan zijn voorhoofd en vanonder zijn dekbed slaat de hitte van de verbrandingsoven mij tegemoet. Hier worden alle aangevoerde grondstoffen verwerkt. Hier wordt de eindeloze stroom kipfilet en pindakaas en appel en cake en boterhamworst en snoep en o zo gehate broccoli omgezet in jongenslichaam.

Een fabriekje is hij, waarin aan de lopende band wenteltrapjes DNA worden gesplitst en cellen worden samengevoegd tot bloed, spieren, hersens, bot. Tot parelwitte tandjes die lang voordat je erop bent uitgekeken moeten wijken voor oncharmante, gele exemplaren.

Hij strekt zich uit en kreunt hartstochtelijk, alsof hij op een pijnbank ligt en er zowel aan zijn hoofd als aan zijn benen wordt getrokken. Hoppetee. Weer twee centimeter erbij. ’s Nachts droom ik over een enorme kudde olifanten die op me af komt rennen. „Stop!” hoor ik een machteloze, belachelijke stem schreeuwen. Een ongemanicuurde hand schudt mij wakker en biedt troost.

Roos Ouwehand