Walgelijk. Maar straks?

Hoe ontwerpers een brug slaan tussen geavanceerde techniek en het dagelijks leven, is te zien in het MoMa.

‘Design and the Elastic Mind’: onbehaaglijk design.

‘Dressing the Meat of Tomorrow’ - James King. ‘Dressing the Meat of Tomorrow’ van James King. De Britse kunstenaar ontwierp vormen voor het toekomstige vlees dat uit een paar stamcellen kan groeien foto MoMa MoMa

Over een zwart scherm zoeken helgele stippen hun weg. Ze spurten naar voren, ze aarzelen, ze slaan voortdurend hoeken om, alsof ze zijn opgesloten in een onzichtbaar doolhof. De camera zoomt uit, en in de stromen gele stippen wordt de structuur van het doolhof onthuld. De stippen blijken taxi’s met navigatiesystemen, en ze rijden door de straten van San Francisco.

Het project Cabspotting van een collectief van Amerikaanse ontwerpers laat iets zien wat anders onzichtbaar blijft: het ritme van een wereldstad, de wirwar van verplaatsingen waaraan talloze stadsmensen hun toevallige bijdrage leveren. Van een afstand bezien zit er in al die afzonderlijke taxiritten toch iets wat geen van die deelnemers beoogd had: orde, regelmaat, een patroon.

Cabspotting is een geslaagd voorbeeld van het ambitieuze doel van de tentoonstelling Design and the Elastic Mind in het Museum of Modern Art (MoMA) in New York. Ruim 200 objecten en installaties, die balanceren op de grenzen tussen kunst, wetenschap, techniek en design, moeten laten zien hoe ontwerpers een brug slaan tussen geavanceerde technieken en het dagelijks leven.

Het idee komt van Paola Antonelli, conservator architectuur en design van het MoMA. Een elastieken geest en intelligent design zijn volgens haar vereist om het moderne leven te kunnen volgen. De elastieken geest omdat de veranderingen elkaar zo snel opvolgen, en het design omdat het ontwerpers zijn die de technische mogelijkheden in bruikbare toepassingen omzetten.

Toch is op de expositie ook veel te zien dat de wereld juist gecompliceerder maakt. Neem het beeldhouwen met moleculen. De Amerikaan Thomas Mason maakte een oneindige hoeveelheid fluorescerende lettertjes. Ze zijn zo klein dat er miljarden van in een waterdruppel passen: Alphabet Soup –handig, zegt Mason, om bijvoorbeeld cellen mee te merken. De Israëlische ontwerper Oded Ezer kloonde spermatozoïden en voorzag ze van vormen die ook al van de boekdrukkunst waren afgekeken: Typosperma.

Van de Amerikaanse onderzoeker Paul Rothemund zijn meesterlijke DNA-smiley’s te zien en de Britse kunstenaar James King ontwierp plakjes kloonvlees als vreemde pannenonderzetters (zie foto’s). Het is onbehaaglijk design waar we nog niet aan toe zijn en dat gelukkig ook nog niet mogelijk is. Maar, zo lijken deze kunstenaars te zeggen: denk er vast eens over na. Van schaamlipcorrecties, borstvergrotingen en liposucties zouden ze vijftig jaar geleden ook gewalgd hebben.

Er staan in het MoMA ook wel toepassingen die de meer gebruikelijke paden bewandelen, zoals de goedkope XO-laptop voor kinderen in ontwikkelingslanden, of een fles waarin water door zonlicht wordt gesteriliseerd, of een plastic bol waarin een plant de lucht zuivert. Maar ook hier proef je het engagement van de samenstelster. Ontwerpers, vindt Antonelli, hebben een speciale gevoeligheid voor de belangrijke veranderingen in de techniek, wetenschap en samenleving, en ze kunnen die veranderingen omzetten in bruikbare objecten en ideeën.

De interpretatieve kracht van de tentoonstelling zit vooral in het geheel, in de samenhang die is aangebracht. Daarbij kon Antonelli niet zonder een flinke portie vormgeversimperialisme: ze deelt nogal wat bij die discipline in. Het is misschien wel vormgeving wat hier te zien is, maar het zijn lang niet allemaal vormgevers die hun bijdrage leverden. Ze zijn van allerlei slag: conceptuele kunstenaars, grafische vormgevers, nano-fysici, biologen, computergeleerden.

Ook de theorie die Antonelli in het voorwoord van de catalogus van ze verlangt, is van dat imperialisme een voorbeeld. Ze zegt daar dat ontwerpers alleen de nieuwe ‘pragmatische intellectuelen’ kunnen worden waaraan in de huidige tijd zoveel behoefte is, als ze een „krachtige designtheorie” ontwikkelen. Het blijft duister wat die theorie zou moeten behelzen. Een algemene theorie over het vertalen van de tijdgeest in vormen? Een verzameling uitgangspunten voor maatschappelijke verantwoordelijkheid?

Het zou een bundeling vereisen van geesten die daarop helemaal niet zijn ingesteld. Bovendien, het zijn kwesties die inmiddels te belangrijk zijn om ze aan ontwerpers over te laten. Als Antonelli bedoelt dat we op de drempel van een nieuw tijdperk staan, en dat het zin heeft dat iedereen daar eens goed over nadenkt, dan heeft ze met deze tentoonstelling haar doel ruimschoots bereikt. We moeten die nieuwe werkelijkheid nauwlettend in de gaten houden.

Cabspotters, dat moeten we worden.

‘Design and the elastic mind’, t/m 12 mei in het Museum of Modern Art, New York. Zie de expo-site via nrcnext.nl/links

    • Warna Oosterbaan