Staat van wantrouwen

De relatie tussen overheid en burger wordt ruwer en harder. Nationaal ombudsman Brenninkmeijer schetst die trend in zijn laatste jaarverslag. Zoals het de verdediger van de burger betaamt, richt hij zijn pijlen primair op de staat. Die stigmatiseert de burger en ondergraaft zo de basishouding die de overheid zou moeten innemen. De burger ìs namelijk geen hufter en ook niet steeds dronken, was letterlijk zijn boodschap. Slechts 1,34 procent van de burgers is bekend bij Justitie. Met meer dan 98 procent is niets aan de hand. Dat zijn goedwillende mensen, die graag netjes behandeld willen worden. Maar al te vaak is de overheid echter niet aanspreekbaar, overbelast, wantrouwig, niet in staat tot samenwerken en intern gericht, aldus Brenninkmeijer.

Het is goed dat dit wordt gezegd. Maar van de weeromstuit hoeven we nu ook niet de burger over de volle breedte aan te zien voor de betrokken, evenwichtige en zelfbewuste vervuller van het openbare ambt dat burgerschap zou moeten zijn. Boven de lat ‘geen strafblad’ en ‘geen dronken hufter’ zijn er wel degelijk veranderingen waarneembaar. Ook de burger is moeilijker aanspreekbaar, wantrouwig en meer op zichzelf gericht. De relatie verruwt van twee kanten.

Dat rechtvaardigt uiteraard niet de reeks aanslagen op het rechtsgevoel en het zelfrespect van de burger, die de ombudsman jaarlijks waarneemt. Maar de ondergrens heeft hij misschien wat losjes geformuleerd.

De kritiek van de ombudsman blijft niettemin belangrijk. Dat geldt ook voor zijn recept: toon respect, wees eerlijk en informeer zo goed mogelijk. Het eenvoudigste advies luidt al jaren ‘eerst bellen’. Mensen stellen contact en uitleg op prijs. Ruwweg de helft van alle klachten wordt zo ondervangen. Dat voor deze alledaagse wijsheid een Hoog College van Staat nodig is, is reden voor schaamte.

Brenninkmeijer mocht zijn boodschap dit jaar voor het eerst uitspreken in het parlement zelf. Daarmee liet de Tweede Kamer zien waar de parlementaire ombudsman staatsrechtelijk thuis hoort. Tegelijk valt de passieve houding van de Kamer op. Waarom stelt die de ombudsman geen actuele onderzoeksvragen en verscherpt zo de parlementaire controle? Nu deint de Kamer mee op het nieuws van de dag.

De ombudsman vroeg aan het parlement niet alleen om meer vertrouwen te hebben in het eigen volk. Maar ook om de burger op nieuwe manieren bij het landsbestuur te betrekken. Daarmee voegt de ombudsman zijn gewicht toe aan het koor critici dat de crisis in de vertegenwoordigende democratie vaststelt. Hij waarschuwt tegen het verlangen naar een sterke leider en bepleit het reservoir van 16 miljoen Nederlanders aan te spreken. Het burgerschap is een kapitaal dat moet worden ‘verzilverd’, meent hij. Blijf zoeken naar manieren om de burger aan het bestuur te laten meedoen. En doe het kalmer aan met repressie en handhaving.

Want wie de burger steeds omschrijft als bang, boos, bedreigend en gevaarlijk voor anderen, bevordert uiteindelijk ook die onverhoopte uitkomst. Dat zijn wijze woorden.