Sporen uit Sicilië’s hectisch verleden

Bij Marsala op Sicilië gevonden marmeren beeld van Venus uit de tweede eeuw na Christus. Foto Giuseppe Mineo museum Baglio Anselm Giuseppe Mineo museum Baglio Anselm

Tentoonstelling Sizilien; von Odysseus bis Garibaldi. Kunst und Ausstellungshalle der BRD, Friedrich-Ebert-Allee 4, Bonn. T/m 25/5. Inl.: 0049-2289171200, www.bundeskunsthalle.de

In Giuseppe Tomasi di Lampedusa’s beroemde roman Il gattopardo (1958), verzucht hoofdpersoon Fabrizio Corbera, prins van Salina, dat de Sicilianen „al minstens vijfentwintig eeuwen het gewicht van schitterende, ongelijksoortige culturen op de schouders dragen”. Hij voegt eraan toe dat die beschavingen „allemaal, reeds voltooid en compleet, van buiten zijn gekomen; geen enkele is uit ons zelf voortgekomen”. Deze passage tekent het wereldbeeld van de conservatieve aristocraat, en diens scepsis jegens de vernieuwingen van zijn tijd. Het waren de jaren rond 1860, vlak voor Sicilië werd ingelijfd bij de nieuwe staat Italië. Die eenwording vormt het eindpunt van de mooie tentoonstelling in Bonn, die een beeld geeft van al die culturen die de Sicilianen aan zich voorbij hebben zien trekken.

Een reeks opeenvolgende overheersers passeert de revue, aan de hand van zo’n 300 objecten. Die variëren van prehistorische rotstekeningen tot een portretbuste van Giuseppe Garibaldi, de legendarische legeraanvoerder die met een legertje op Sicilië landde om het eiland voor het koninkrijk Italië te overwinnen. In de drieduizend jaar daartussen vormde Sicilië, gunstig gelegen halverwege Europa en Afrika, een gewilde militaire en handelspost in het Middellandse Zeegebied: Grieken en Romeinen, Byzantijnen en Arabieren, Noormannen en Duitse keizers, Spanjaarden, Habsburgers en in de achttiende eeuw een vlotte opeenvolging van onder meer Franse en Spaanse vorsten. Aan die heksenketel kwam in 1815 even een einde toen het eiland deel werd van het, vanuit Napels geregeerde Koninkrijk der beide Siciliën.

Elke fase heeft sporen achtergelaten in de lokale collecties van archeologische en kunstvoorwerpen, waar de meeste voorwerpen op de expositie in Bonn vandaan komen. De materiële cultuur van Sicilië wordt er gepresenteerd als een lappendeken van vaak zeer opmerkelijke stukken. Zo is er een marmeren beeld uit de vijfde eeuw voor Christus, met een levensgrote voorstelling van een jongeling. Zijn armen zijn afgebroken maar de manier waarop zijn hand op zijn linkerheup rust, verraadt de elegantie van de oorspronkelijke contrapposto-pose. De sculptuur, waarschijnlijk van een Griekse beeldhouwer, is pas in 1979 teruggevonden in de oude Griekse nederzetting op het eilandje Mozia. Uit het archeologisch museum van Palermo komt een bronzen beeld van een liggende ram met fraai spiralende, ver van de kop afstaande horens. Met zijn hoogte van 80 cm, is het een zeldzaam voorbeeld van een grote dierenvoorstelling uit de Romeinse oudheid. Dergelijke indrukwekkende stukken worden afgewisseld met kleine sieraden, olielampjes en ander vaatwerk, maar ook curiositeiten als een perkamenten schriftband uit 1183 met een Arabische tekst, afkomstig uit de kanselarij van de Siciliaanse koning Willem II.

Nadat de oudheid en de middeleeuwen uitvoerig zijn behandeld, schakelt de tentoonstelling vanaf de renaissance in een hogere versnelling. Van twee ingetogen religieuze paneeltjes van de hand van de befaamde vijftiende-eeuwse schilder Antonello da Messina, is het een kleine stap naar een werk van de nog beroemdere Caravaggio. Diens altaarstuk met de Aanbidding van het Christuskind door de herders is gemaakt voor een kapucijnenklooster in Messina, toen Caravaggio in 1609 op Sicilië verbleef. Een stuk of vijf schilderijen van latere kunstenaars, zoals Alonzo Rodriguez (Messina) en Pietro Novelli (Palermo), getuigen oorspronkelijke verwerking door plaatselijke kunstenaars van de invloed van Caravaggio. Alleen al daaruit blijkt uit dat Lampedusa’s don Fabrizio zich vergiste toen hij stelde dat Sicilianen alles over zich laten komen zonder er zelf iets aan toe te voegen.