Kunst met hulp van grijze wolven

Het Groninger Museum heeft in 7 jaar 4 grote Russische tentoonstellingen gehad.

Een direct gevolg van het contract tussen de Gasunie en het Russische Gazprom.

Ilja Repin De Wolgaslepers (1873) (foto) en (boven) Viktor Vasnetsov Ridder op een driesprong (1878-1881). Russisch Staatsmuseum, Sint Petersburg en particuliere collectie Ilja Repin: ‘De Wolgaslepers’, 1873 Russisch Staatsmuseum, Sint Petersburg Ilja Repin DE WOLGASLEPERS, 1870-1873 131.5 x 281 cm Materiaal: Olieverf op doek Collectie: Russisch Museum, St. Petersburg Tentoonstelling: Groninger Museum, 15 december 2001 t/m 7 april 2002 trekschuit Russisch Staatsmuseum, Sint Petersburg

In het Groninger Museum hangt op dit moment een schilderij van een ridderfiguur bij een driesprong. Hij leest een steen waarop staat dat elk van de drie wegen een ander onheil in petto heeft. Ivan de Tsarenzoon – de sprookjesfiguur waarnaar dit doek verwijst – kiest de weg van het minste kwaad en verliest zijn paard aan de Grijze Wolf, die hem vervolgens helpt om enkele onmogelijke opdrachten te vervullen.

Ridder op een driesprong (1878) van de Russische schilder Viktor Vasnetsov is niet alleen een topstuk op de succesvolle tentoonstelling Russische Sprookjes, het doek verbeeldt ook heel aardig de totstandkoming ervan. In het Groninger Museum bevinden zich nu drie maanden schilderijen, prenten, boeken en zelfs menu’s en chocoladewikkels die geïnspireerd zijn door Russische sprookjes en legenden. Om al deze voorwerpen hier te krijgen, hebben de Groningse samenstellers in Rusland vaak de juiste weg moeten kiezen, met de hulp van enkele ‘grijze wolven’.

Hoe komt het dat het Groninger Museum zo goed de weg weet in Rusland en daar zulke goede vrienden heeft? Inderdaad, doordat het museum in zeven jaar vier grote Russische tentoonstellingen had. Maar hoe komt het dan dat de afgelopen jaren zoveel Russische kunst te zien is geweest in Groningen? Het antwoord op die vraag leidt onvermijdelijk tot een ‘er was eens’, het onvermijdelijke begin van wat het Groningse sprookje mag heten.

Er was eens een gasbedrijf in Groningen, dat Gasunie heette en dat de suikeroom was van het plaatselijke museum. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw sloot Gasunie een groot contract met Gazprom, hét gasbedrijf van Rusland. Voortaan zou gas uit Rusland stromen door pijpleidingen in en rond Nederland, terwijl Russische gasexperts in Groningen een managementopleiding zouden krijgen.

Om de definitieve ondertekening van het gascontract in 2001 te vieren vroeg Gasunie aan het Groninger Museum om in dat jaar een ‘Russische’ tentoonstelling te organiseren. „Wat dat zou moeten zijn, daarover hebben we ons niet uitgelaten”, zegt woordvoerder Ben Warner van Gasterra, een afsplitsing van Gasunie. Het Groninger Museum bevestigt dat sponsor Gasunie/Gasterra zich nooit inhoudelijk bemoeit met het museumbeleid.

De gassector doet steeds vaker een beroep op de kunstwereld om de internationale banden te versterken, zegt energie-expert Volko de Jong van Energy Delta Institute. „Een gascontract is een soort huwelijk; het duurt een leven lang en vergt enorme investeringen en veel vertrouwen. Net als echtelieden moeten contractpartners werken aan hun relatie. Een intensieve en heel elegante manier om dit te doen is culturele uitwisseling, zoals de tentoonstellingen in Groningen.”

Voor de Russische tentoonstelling koos het Groninger Museum de negentiende-eeuwse schilder Ilja Repin, de ‘Russische Rembrandt’, die toen in het westen nog niet erg bekend was. Dit gebeurde op advies van Henk van Os, hoogleraar kunstgeschiedenis en oud-directeur van het Rijksmuseum. „Repin was een van de onderschatte kunstenaars van de Europese kunst. Ik zelf heb al eens eerder geprobeerd een tentoonstelling rond Repin te maken, maar dat ging toen niet”, zegt Van Os.

Inmiddels leek de tijd wel rijp, vooral doordat president Vladimir Poetin toen stabiliteit aan het brengen was in Rusland. Het Groninger Museum was zo ongeveer het eerste museum dat probeerde om kunstwerken te lenen in Rusland, dat sinds tien jaar verlost was van het communistische juk.

Het museum deed daarvoor een beroep op de contacten van Gasunie in Rusland. „De mensen van Gazprom vertelden wie je bij welk museum moest bellen”, vertelt Sjeng Scheijen, die destijds begon samen te werken met het Tretjakovmuseum in Moskou. „En voordat we de eerste keer in Moskou arriveerden, hebben functionarissen van Gazprom gebeld met de directie van het Tretjakov. Dat maakte onze entree een stuk makkelijker dan gebruikelijk voor een klein provinciaal museum.”

Gazprom is een machtig instrument van de Russische staat. Het bedrijf is goed voor een derde van de Russische belastinginkomsten en geldt als een mondiale energiegrootmacht die een vijfde van ‘s werelds gasvoorraad controleert. De personele banden tussen Gazprom en de regering zijn hecht. Het Kremlin gebruikt Gazprom soms als politiek wapen tegen afhankelijke buurlanden.

Na de introductie door Gazprom bleken de mensen van het Tretjakov zeer bereidwillig. In Sint-Petersburg verliepen de onderhandelingen een stuk stroever. Het Russisch Staatsmuseum was niet bereid om De Wolgaslepers, een sleutelwerk van Repin, uit te lenen aan Groningen.

Het bezoek van toenmalig premier Wim Kok aan Rusland in januari 2001 bood echter kansen. Aan de vooravond van zijn ontmoeting met president Poetin vroeg Kok in Moskou aan enkele Nederlandse bedrijven wat hij zou aankaarten. Na nota te hebben genomen van ‘belangrijke kwesties’ als belastingen en corruptie, vroeg Kok: „Heeft iemand ook nog wat leuks?” Toen begon Ben Warner over Repin en De Wolgaslepers en dat sprak Kok wel aan.

Kok heeft Repin bij Poetin aangekaart, vertelt hij. Kok benadrukte dat het ging om werken uit Sint-Petersburg: „Poetin komt uit die stad en hij is behoorlijk chauvinistisch.” Poetin reageerde welwillend op het verzoek: „Toezeggingen worden in zo’n geval zelden gedaan.” Het Russisch Staatsmuseum kwam uiteindelijk over de brug.

De tentoonstelling Ilja Repin. Het geheim van Rusland was een eclatant succes. Mag een provinciaal museum zich doorgaans in zijn handen wrijven met enkele tienduizenden bezoekers, Repin bracht ruim 250.000 mensen naar Groningen.

De tentoonstelling bezorgde de in 1999 aangetreden directeur Kees van Twist een mooie entree in de museumwereld, zegt Henk van Os.

Repin leidde het Groninger Museum bovendien naar Rusland, dat dankzij de almaar stijgende energieprijzen snel aan invloed en rijkdom begon te winnen. Sinds Repin heeft ‘Groningen’ in Rusland een netwerk van vrienden, zoals bij het Tretjakovmuseum. Bij de samenstelling van de Repin-tentoonstelling ontdekten de Groningse museummedewerkers in de zalen en kelders van de Russische musea tal van kunstschatten die ze ook wel wilden laten zien.

Deze ontdekkingen leidden tot nieuwe Russische tentoonstellingen in Groningen. Het Russisch landschap (2003), die ook nog verhuisde naar Londen, was weer een succes. Hetzelfde geldt voor de tentoonstelling en het festival rondom de Russische dansvernieuwer Diaghilev. Bij In dienst van Diaghilev (2005) kreeg samensteller Scheijen veel (financiële) hulp van de Gasunie, onder meer bij het naar Nederland halen van de dirigent Valeri Gergiev.

Patty Wageman, nu interim-directeur van het Groninger Museum, was voor Het Russische landschap enkele malen in Rusland. Op een gegeven moment stond Wageman in Nizjni Novgorod voor het schilderij Het vliegende tapijt (1880) van Vasnetsov: „Toen begreep ik plotseling hoe belangrijk sprookjes zijn voor de Russische schilderkunst. Sprookjes hebben vaak iets zoets, maar in Rusland zag ik hoezeer sprookjes belangrijke kunstenaars hebben geïnspireerd tot krachtige autonome kunstwerken.” Het idee voor een tentoonstelling was geboren.

De verwerkelijking van de tentoonstelling bleek niet eenvoudig. De gewenste kunstvoorwerpen komen uit zeventien verschillende instellingen, die verspreid liggen over een reusachtig grondgebied – van de Oekraïner hoofdstad Kiev tot het diep in de Oeral gelegen Perm, van de poolcirkel tot de Kaukasus. De communicatie werd verder bemoeilijkt doordat zeker de verafgelegen musea niet gewend waren met een westers museum te onderhandelen.

Met hulp van de vrienden van het Tretjakovmuseum, die het interne transport in Rusland regelden, konden veel problemen worden opgelost. De grootste moeilijkheden moesten worden overwonnen bij het lenen van de legendarische sprookjesprenten van Ivan Bilibin. De Russische kunstenaar was een van de eerste kunstenaars die zich helemaal specialiseerde in drukwerk. Zijn sprookjesboeken maakte hij een eeuw terug in opdracht van Goznak, de toenmalige staatsdrukkerij van de tsaar. Goznak heeft de originele prenten van Bilibin in een kluis liggen, en daar waren ze sinds 1903 niet meer uitgeweest.

Het netwerk van Groningen was in dit geval minder effectief dan gebruikelijk. Dat kwam doordat Goznak – de officiële uitgever van de prentenboeken – geen museum is, maar een onderdeel van het ministerie van Financiën. De enige die de prenten dus kon vrijgeven was Aleksej Koedrin, minister van Financiën. Om Koedrin zo ver te krijgen, deed het Groninger Museum een beroep op enkele diplomaten en politici. Een van hen was Kirill Gevorgian, ambassadeur van Rusland in Den Haag, die in eigen land behoorlijk wat invloed heeft. Een ander was Michail Sjvydkoj, de onbetwiste cultuurpaus van Rusland.

Met deze hulp wisten Tretjakov en Gevorgian de minister van Financiën, Koedrin, te bewegen om de prenten vrij te geven. Niet veel later, in februari, zegde Goznak de prenten toe. Op het nippertje, zegt Ubbens: „Want als je in december een tentoonstelling wil openen, moet je in februari weten wat je kunt brengen.”

Het Groninger Museum kon zo voortbouwen op de bestaande contacten, die voor een groot deel zijn te danken aan Gazprom en Gasterra. Maar met de prenten zelf hebben de gasbedrijven zich niet bemoeid. Pas veel later wel, zegt Patty Wageman, inmiddels plaatsvervangend directeur: „We wilden naast de catalogus ook de sprookjes met de prenten van Bilibin uitgeven in het Nederlands. Dat heeft Gasterra toen betaald.”

‘Russische sprookjes, volksverhalen en legenden’ t/m 6 april in het Groninger Museum.

    • Karel Berkhout